Concert: deFilharmonie – Beethoven & Brückner
Datum:15 november 2014
Uitvoerende(n):Steven Osborne, piano; deFilharmonie, Edo de Waart
Locatie:deSingel, Antwerpen
Waardering:

Foto: Eric Richmond

Foto: Eric Richmond

Concertgebouw deSingel wijdt dit seizoen een serie concerten aan pianist Steven Osborne. Met recht, aangezien de Brit heel wat wapenfeiten op zijn naam heeft staan, zoals zijn integrale uitvoeringen van Messiaens Vingt regards sur l’enfant-Jésus en gelauwerde opnames van een keur aan componisten – waaronder Ravel, Schubert en minder bekende namen als Alkan en Kapustin.

Tot zijn repertoire behoren ook de vijf pianoconcerten van Ludwig van Beethoven, waarvan hij samen met deFilharmonie het tweede concert ten gehore bracht. Het pianoconcert was voor de jonge Beethoven een staalkaart van zijn pianistische vermogens en ligt qua idioom dicht bij het werk van zowel Haydn als Mozart. Osborne betoonde zich een begenadigd vertolker van het werk. Het leverde een interpretatie op waarbij Osbornes pianopartijen prachtig samenvloeiden met het orkest. Als Beethovens virtuoze passages Osborne al moeite kostten dan was dat misschien alleen even te merken tegen het einde van het Allegro con brio. Muggenzifterij natuurlijk, Osborne speelde geweldig.

Duurde de muziek voor de pauze veel te kort, na de pauze was dit een heel ander verhaal. Het oeuvre van Anton Brückner heeft altijd al felle voor- en tegenstanders gekend, maar deze avond viel met name de plaatsing van Brückners zesde symfonie tegenover Beethovens pianoconcert op. Beethovens vernuftige behandeling van zijn thematisch materiaal en Brückners imposante harmonische stapelingen hebben ogenschijnlijk weinig met elkaar te maken. Brückners symfonie is een perfect middel om te laten zien waar een symfonieorkest allemaal toe in staat is en maakt meteen ook duidelijk hoe schatplichtig de hedendaagse filmmuziek is aan het werk van Hoogromantische componisten. Edo de Waart en deFilharmonie speelden de symfonie meer dan vakkundig, maar de schijnbaar eindeloze reeksen van uitgestelde climaxen – nog fris in de oren klinkend in het Majestoso – pleegden na verloop van tijd een danige aanslag op de aandachtsspanne van deze luisteraar.

Titel:Piano Man: a Life of John Ogdon
Auteur(s):
Jaar:2014
Uitgever:Simon & Schuster
Waardering:

Piano Man: a Life of John OgdonToen de dochter van John Ogdon een paar jaar oud was noemde ze haar vader liefkozend Teddy Bear Father. Als je foto’s van de Britse pianist bekijkt is het niet moeilijk om te begrijpen hoe Ogdon aan die bijnaam kwam. Achter de buitensporige zachtmoedigheid en verstrooidheid van Ogdon ging echter een wereld van persoonlijke crises en depressie schuil, die op latere leeftijd ten volle tot uiting kwam.

Charles Beauclerks Piano Man is de tweede biografie over John Ogdon en waarschijnlijk de meest eerlijke en complete tot nu toe. Het andere exemplaar werd geschreven door Brenda Lucas (Ogdons echtgenote) en een ghost writer in de nadagen van John Ogdons carrière als pianovirtuoos, dus de objectiviteit is daar lastig vast te stellen.

Het is overigens verleidelijk om Brenda Lucas Ogdon als de grote schurk in het tragische heldenverhaal van John de Virtuoos te zien. Mede op aandringen van Brenda speelde haar mentaal fragiele man honderden recitals per jaar in concertzalen over de hele wereld, om zo de gapende gaten in de familiefinanciën te kunnen stoppen. Eigenlijk lijkt een groot deel van het leven van Brenda en John te zijn opgeslokt door aanhoudende geldzorgen. Eenieder ging daar op zijn eigen manier mee om; John zonk immer verder in zijn moeras van psychiatrische problemen en Brenda trachtte op haar beurt zijn concertagenda stampvol te plannen. Alle nuanceringen ten spijt komt in Beauclerks boek vooral een beeld van Brenda naar voren van een spilzieke parvenu, die met grote tegenzin in de schaduw van haar veel getalenteerdere man moest leven. Charles Beauclerk ziet echter in zowel Brenda als John slachtoffers van een probleemhuwelijk tussen twee mensen die desondanks niet zonder elkaar konden. Daar valt wat voor te zeggen, aangezien Ogdon zeker geen makkelijk persoon was om mee samen te leven; zeker vanaf de jaren zeventig, toen de mentale crises in hoog tempo op elkaar volgden en John zijn opgekropte frustraties vaak vertaalde in fysieke agressie.

Het laakbare gedrag van Brenda Lucas komt misschien zo sterk naar voren, omdat Ogdon zelf bijna een onbeschreven blad was. Het karakter van Ogdon laat zich het best beschrijven in termen als “serviel”, “minzaam” en “zachtmoedig” en dat alles tot in het extreme. Gesprekken met de pianist stopten meestal na een gemompeld, half antwoord (“Hmmmmm… Yes… Very interesting…”).
Als het echter op muziek aankwam, maakte zich een ander mens van Ogdon meester. De gretigheid, kracht en emotie waarmee hij het werk van uiteenlopende namen als Beethoven, Busoni, Liszt, maar ook veel contemporaine componisten interpreteerde stond haaks op de kettingrokende non-persoonlijkheid die Ogdon veelal in de reguliere omgang was. De piano was het instrument waarmee hij zich ten volle kon uitten.

Met Piano Man heeft Beauclerk een zeer levendige en grondige biografie geschreven. Het inleidende hoofdstuk, over Ogdons recital van Kaikhosru Sorabjis Opus clavicembalisticum (een werk voor piano solo van monsterlijke proporties), maakt de spanning voorafgaand aan het ietwat krankzinnige concert bijna voelbaar en zet de toon voor het verdere boek.
Veel biografen lijken bovenmatig geïnteresseerd te zijn in psychoanalyse en Charles Beauclerk is geen uitzondering in het loslaten van enkele theorieën op zijn biografisch onderwerp. Gezien de lange historie van John Ogdon (en zijn directe familie) met de psychiatrie is het gepsychologiseer van Beauclerk misschien niet helemaal zonder rechtvaardiging. De notie van Ogdon als idiot savant is soms wel wat al te zwaar aangezet en het is maar de vraag of de definitie ook volledig op hem van toepassing is. Ogdons intelligente observaties over muziek, zoals bijvoorbeeld te lezen in zijn essay over de Romantische traditie in Denis Matthews’ bundel Keyboard Music, komen inhoudelijk helaas weinig aan bod in Piano Man. Wel citeert de auteur wat al te graag uit Ogdons lievelingsromans om deze citaten vervolgens symbool te laten staan voor bepaalde aspecten uit Ogdons leven. De vraag is of de lezer gebaat is bij een vergelijking tussen het ivoren kunstbeen Kapitein Ahab uit Moby Dick en John Ogdons obsessieve relatie met de ivoren toetsen van het pianoklavier. Door de bank genomen lijkt Beauclerk meer geïnteresseerd te zijn in Ogdons leven van dag tot dag, dan in zijn verdiensten als intellectueel en dat is jammer, een apart hoofdstuk over de auteur en componist Ogdon was misschien op zijn plaats geweest.

John Ogdon was een onmiskenbaar genie en in hoge mate vergelijkbaar met zijn idolen Ferruccio Busoni en Franz Liszt, zeker gezien zijn activiteiten als componist en schrijver. Met betere professionele en psychische ondersteuning was John Ogdon waarschijnlijk een wereldster geworden met een lange, succesvolle carrière, zoals tijdgenoot en eenmalige rivaal Vladimir Ashkenazy. Nu staat hij toch vooral bekend als de getroebleerde virtuoos wiens carrière en leven uiteindelijk ten onder gingen aan zijn persoonlijke demonen.

Desert Island Discs, Castaway: John Ogdon (24 September 1989)

Het interview met John Ogdon voor Desert Island Discs op BBC Radio 4 is de moeite waard om te beluisteren, aangezien het de beschrijving van Ogdon als het verstrooide genie in Piano Man mooi illustreert.

Vorige maand zond BBC 4 ook een documentaire uit over John Ogdon, waar Brenda en beide kinderen geïnterviewd worden over hun vader.

Titel:The First Four Notes: Beethoven's Fifth and the Human Imagination
Auteur(s):
Jaar:2012
Uitgever:Knopf
Waardering:

The First Four NotesVoor musicologen is het waarschijnlijk niet al te moeilijk om een boekwerk van respectabele lengte te schrijven over een Beethoven symfonie. Bijna vierhonderd pagina’s volschrijven over enkel de openingsnoten van de beroemde Vijfde Symfonie in c (1804–1808) is een onderneming van een totaal andere orde. Afgaande op de flaptekst en introductie van The First Four Notes is dat precies wat schrijver Matthew Guerrieri heeft gepoogd in zijn boek.

Als je echter wat verder gaat lezen in het lange essay van Guerrieri blijkt de kracht van enkel het iconische openingsmotief da-da-da-dam toch niet genoeg stof op te leveren voor een lijvige bespreking. The First Four Notes is daarom ook meer een analyse van de verschillende betekenissen die aan de symfonie zijn gegeven in de twee eeuwen die volgden op de première in 1808. Ook de veranderende visie op Beethoven als componist en historisch figuur komt naar voren. Zo legt hij aan de hand van een vergelijking met La Marseillaise de notie van Beethoven als politiek revolutionair bloot.

The First Four Notes is zware kost voor mensen die geen affiniteit hebben met de filosofie, aangezien het de wetenschapstak is waar Guerrieri bijna zijn hele relaas aan ophangt. Guerrieris obsessie met de filosofie levert enerzijds mooi inzichten op, zoals in het hoofdstuk waarin de vermeende relatie tussen de symfonie en het idee van lotsbestemming uitgebreid aan bod komt. Naarmate de auteur echter dieper in het ideologische moeras van de laat-negentiende eeuw duikt en Beethoven verder achter zich laat, wordt zijn verhaal steeds lastiger te volgen. Zo is Associations, hoofdstuk vier, een lange uiteenzetting over het transcendentalisme waarvan de relevantie met Beethovens symfonie wel heel mager is. Pas als componist Charles Ives en zijn Concord Sonata ten tonele verschijnen wordt duidelijk waarom Guerrieri zoveel aandacht schenkt aan de literaire en filosofische stroming. Maar ook op detailniveau is het soms moeilijk om de kronkels te volgen die Matthew Guerrieri maakt om de vijfde symfonie te verbinden met de verscheidene ideeënwerelden van de afgelopen twee eeuwen, zeker als het gaat om de complexe theorieën van Debord of Adorno.

Na een sterke uiteenzetting over de vijfde symfonie als propagandamiddel in de Tweede Wereldoorlog sluit Guerrieri af met een hoofdstuk dat in zijn fragmentatie wellicht symbool staat voor de afgelopen vijftig jaar. Na een eeuw waarin de symfonie van Beethoven steeds een eenduidige en gewichtige symboliek toegekend kreeg (Symfonie van het Lot, de Revolutie of de Vrijheid), wordt deze tegenwoordig vrijelijk gesampled, verknipt, ingezet voor reclame en zelfs gebruikt in de strijd tegen racisme.

Guerrieris stijl is helder en humoristisch, maar bij een volgend boek is hij waarschijnlijk gebaat bij het maken van strengere keuzes, met The First Four Notes wil hij te veel stof in een keer behandelen. Een aantal hoofdstukken, bijvoorbeeld over de Tweede Wereldoorlog of Victoriaans Engeland, zouden in verlengde vorm een prima analyse zijn van de invloed en betekenis die de eerste vier noten van Beethovens meesterwerk hebben gekregen in de collectieve beleving. Dan hoeven Immanuel Kant of Georg Hegel ook niet zo vaak op te draven.

Concert: Storioni Trio – Beethoven
Datum:1 april 2014
Uitvoerende(n):Storioni Trio
Locatie:de Doelen, Rotterdam
Waardering:

storioni-trio

Gisteravond kwam de concertserie van het Storioni Trio in de Doelen ten einde; een integrale lezing van de pianotrio’s van Ludwig van Beethoven verspreid over het concertseizoen 2013-2014.

Het Adagio molto – Allegro con brio uit Symfonie No. 2, door Beethoven zelf bewerkt voor pianotrio, vormde een mooie opening, met name in de reprise begon het spel te fonkelen.
Het postuum ontdekte en gepubliceerde Allegretto voor pianotrio stond wat eenzaam en verloren op het programma en kwam helaas ook niet helemaal tot zijn recht. Desalniettemin een prima overbrugging naar het eerste grote werk van de avond: de Variaties op Ich bin der Schneider Kakadu, Opus 121a. Deze variaties op een lied van Wenzel Müller werden door het Storioni Trio met zichtbaar plezier en een duidelijk gevoel voor Beethovens humor gespeeld. De kwinkslagen die in Beethovens variaties doorklinken geven overigens een mooi beeld van hoe precair het evenwicht tussen de instrumenten in een pianotrio kan zijn. Een humoristische dialoog tussen cello en viool zou direct in het water vallen bij de geringste aarzeling van een van de musici. In die context moet het spel van pianist Bart van de Roer genoemd worden, dat de gehele avond gekenmerkt werd door een mooie beheersing en subtiliteit.

Het Storioni Trio was in topvorm na de pauze en gaf een geweldige lezing van het tweede pianotrio uit Opus 70. Het eerste trio (dat ook wel de bijnaam Ghost of Geistertrio draagt) is het bekendste, maar het tweede in Es bevat zoveel mooi materiaal dat het prima buiten de schaduw van zijn bekendere helft kan staan. Over de hele linie presenteerde het Storioni Trio een lovenswaardige uitwerking van Beethovens muzikale vondsten, hetgeen culmineerde in een fantastische Finale.
Helaas geen toegift, volgens violist Wouter Vossen te wijten aan het feit dat het drietal het gehele oeuvre voor pianotrio van Beethoven al had afgewerkt het afgelopen seizoen en er simpelweg niets meer over was om te spelen. Als de mannen echter het werk van na de pauze nogmaals hadden ingezet had het publiek waarschijnlijk niet geprotesteerd.

Antonio Salieri door Joseph Willibrod MählerAntonio Salieri was bijna verzekerd van een plaats in het pantheon van beroemde componisten. Als stercomponist van vele opera’s, hofkapelmeester in Oostenrijk en een veelgevraagd leraar met pupillen als Beethoven, Schubert en Liszt leek die positie een vanzelfsprekendheid. Dankzij Mozart verwerd Salieri in de loop der jaren tot een voetnoot in de klassieke muziek, ook al was Wolfgang zelf al zo dood als een pier.

Gedurende Mozarts leven bestond er een professionele rivaliteit tussen beide mannen. Salieri werd, ondanks zijn status als protégé van Christoph Willibald Gluck, gezien als een exponent van de Italiaanse componistenschool terwijl Mozart de Germaanse vertegenwoordigde. In een aantal brieven aan zijn vader komt enige jaloezie van Mozart met betrekking tot de status van Salieri aan het Oostenrijkse hof duidelijk naar voren. Hij had ook het idee dat Salieri en zijn gevolg hem hinderden in het verkrijgen van succes aan het hof.

Het succes bleef voor Mozart echter niet uit in Oostenrijk en uiteindelijk coëxisteerden zowel hij als Salieri prima naast elkaar. In zijn hoedanigheid als hofkapelmeester ontpopte Salieri zich zelfs tot een promotor van Mozarts werk. Ook schreven ze naar verluid samen een cantate, Per la ricuperata salute di Ophelia, die verloren is gegaan, maar waaraan gerefereerd wordt in krantenartikelen uit die tijd. De zoon van Mozart, Franz Xaver, kreeg les van zowel Johann Nepomuk Hummel als Salieri.

Uit dergelijke feiten blijkt niet dat Mozart en Salieri bijzonder moordlustige gevoelens jegens elkaar koesterden. Het ontstaan van het verhaal dat Salieri de hand zou hebben gehad in de dood van Mozart is misschien nog enigszins te verklaren, de zucht naar achterklap is namelijk van alle tijden. Maar de hardnekkigheid van de roddel is wel opmerkelijk te noemen; al meer dan twee eeuwen staat Salieri bekend als de ‘moordenaar van Mozart’.
Mede dankzij de hysterische film van Miloš Forman is er vandaag de dag ook bijna niemand die bij de titels Armida of Der Rauchfangkehrer meteen zal uitroepen dat het om werken van de vermaarde componist Antonio Salieri gaat. Nu is het operagenre misschien wel het meest onderhevig aan de grillen van de mode en zijn wel meer populaire componisten van weleer om heel wat minder dan een kwalijke roddel in de vergetelheid geraakt, maar het blijft de vraag of de naam Salieri, vrij van de smetten die het etiket ‘vergiftiger’ met zich meebrengt, niet verbonden zou zijn met een klassieker onder de meer dan dertig opera’s van zijn hand.

Concert: Francesco Piemontesi – Debussy & Beethoven/Liszt
Datum:7 februari 2014
Uitvoerende(n):Francesco Piemontesi
Locatie:de Doelen, Rotterdam
Waardering:

Foto: Felix Broede

Foto: Felix Broede

De Doelen pakt dit seizoen groot uit met een complete serie gewijd aan Virtuoze Pianotranscripties en opgedragen aan de Nederlandse pianist Rian de Waal (1958 – 2011) – een voorvechter voor de herwaardering van de transcriptie. Helaas voor de inspanningen van zowel De Waal en de organisatie van de Doelen kon dit concert van de jonge Zwitser Francesco Piemontesi niet op een uitverkochte zaal rekenen, slechts enkele rijen van de Kleine Zaal waren gevuld. Dat is jammer want zeker de transcripties van Liszt verdienen een groter publiek.

Misschien schrok het programma af, al moet de avontuurlijke klankwereld van Debussy inmiddels weinig luisteraars vreemd in het gehoor liggen. Piemontesi speelde het gehele eerste boek aan Préludes en gaf hierin blijk van een zeer ontwikkelde techniek en bij vlagen geïnspireerde interpretaties, zoals zijn schalkse vertolking van La sérénade interrompue. Dat stuk en andere delen vielen overigens wel op door zijn soms wat droge spel. Enerzijds kwam Debussy’s humor effectief naar boven, maar het leverde ook wat tamme momenten op, met name in het midden van de bundel. Zijn spel werd verder gekenmerkt door veel pedaal, niet ongehoord in het laten vloeien van alle noten in de muzikale bouwwerken van Debussy, en soms wat al te felle fortes in de rechterhand.

Na de pauze was het tijd voor Franz Liszts pianobewerking van de zesde symfonie (Pastorale) van Beethoven. Het werk werd door Liszt begonnen aan de vooravond (1838) van zijn glanzzeit waarin hij als virtuoos gigantische successen vierde en is samen met zijn andere transcripties van de Beethoven symfonieën een belichaming van zijn visie op de piano als ‘totaalinstrument’ dat (bijna) dezelfde of equivalente texturen en kleuren kon produceren als een volledig symfonieorkest. Dat Liszt een meester was in het transcriberen van (complexe) composities van anderen blijkt uit de weergaloze manier waarop hij de gehele orkestklank van de zesde symfonie weet te vatten in een soloinstrument. De uitvoerende pianist moet echter van goede huize komen om het werk te kunnen spelen, aangezien Liszt – zeker in zijn jonge jaren – erg gul is met het rondstrooien van technische hindernissen. Een dappere zet dus van Francesco Piemontesi om dit werk (volledig uit zijn hoofd) te spelen, al was hij niet helemaal opgewassen tegen het notengeweld van Franz Liszt. Dit werd met name duidelijk in het korte, vierde deel, waar de structuur van het stuk vaak ten onder ging in de stormachtige passages voor de linkerhand. Over het algemeen kwamen de melodische inventie van Beethoven en het vertalingsvernuft van Liszt goed uit de verf, maar miste Piemontesi’s spel een eigen stempel, iets dat wellicht over de gehele linie van het concert gezegd kan worden. Francesco Piemontesi is nog maar dertig, dus wie weet hoe zijn Debussy of Liszt over pakweg tien jaar klinken.

Concert: Paul Lewis – Bach, Beethoven, Liszt & Moessorgski
Datum:15 januari 2014
Uitvoerende(n):Paul Lewis
Locatie:deSingel, Antwerpen
Waardering:

Paul LewisEen optreden van Paul Lewis wordt over het algemeen gekenmerkt door een verfrissend gebrek aan opsmuk. Het lijkt wel alsof Lewis gedurende de uitoefening van zijn kunst zo min mogelijk gestoord wil worden door applaus of zelfs het bestaan van het publiek. In deSingel wist hij dit te bewerkstelligen door grote delen van zijn concertprogramma naadloos in elkaar te laten overvloeien, waarbij korte stukken van Bach (in bewerking van Busoni) en Liszt als verbindende elementen werden ingezet.

Het prachtige, soepele spel van Lewis kwam mooi tot zijn recht in de beide pianosonates van Beethoven (Nr. 13 en 14, Op. 27), met elkaar verbonden door orgeltranscripties van Bachs koraalpreludes Ich ruf’ zu dir, Herr Jesu Christ en Nun komm’ der Heiden Heiland.
Beethovens Mondschein-Sonate mag dan deels tot een cliché in de pianoliteratuur zijn verworden, met Lewis achter de piano bleef zelfs het openingsdeel een onderhoudende aangelegenheid. Zijn spel in het afsluitende Presto agitato van dezelfde sonate en de nummer dertien, Quasi una Fantasia, gaven blijk van een fenomenale precisie en controle, waarbij een klare lijn de boventoon voerde en een vertroebeling van harmonieën – nog wel eens aanwezig bij pianisten door overmatig gebruik van het pedaal – vermeden werd.

Na de pauze kwamen de laat-negentiende-eeuwse werken van Franz Liszt en Modest Moessorgski aan bod. Van Liszt speelde hij de atypische miniaturen Schlaflos! Frage und Antwort, Unstern: sinistre, disastro en Richard Wagner – Venezia, die het eerste bewijs vormden dat Lewis niet alleen thuis is in de muziek van Bach, Beethoven of Schubert, maar ook met het modernistischere idioom van Liszt uit de voeten kan. Mocht de indruk bestaan dat de Lewis een ingetogen een in zichzelf gekeerde podiumpersoonlijkheid is, dan bewijzen zijn vertolkingen van zowel Moessorgski als Liszt dat hij ook het theatrale, pianistische gebaar beheerst, als de muziek er om vraagt, tenminste.

Het duurt even voordat Moessorgskis Schilderijententoonstelling zich ten volle bloot geeft, maar als het Promenade-thema zich eenmaal als leitmotif in het brein van de luisteraar heeft verankerd is het werk een buitengewone werveling van sferen en indrukken. Lewis zette een fonkelende en zelfverzekerde interpretatie van het werk neer, van de groteske ganzenpas in Gnomus tot de subtiele, tinkelende accenten in Cum mortuis in lingua mortua.

Na de klankexplosie in de climax De grote poort van Kiev staat onomstotelijk vast dat Paul Lewis tot de wereldklasse van pianisten mag worden beschouwd.

Titel:Schubert
Auteur(s):
Jaar:1982
Uitgever:Open Domein, De Arbeiderspers
Waardering:

Hans J. Fröhlich - SchubertHet schrijven van een lijvige, puur biografische uitgave over Franz Schubert is een lastige opgave. Er is weinig bekend over de jeugd van de componist en voor de documentatie van zijn latere leven is men als biograaf aangewezen op een beperkt aantal bronnen – voornamelijk beschrijvingen van zijn vrienden en kennissen, velen ook nog eens na de dood van Schubert vastgelegd. Bij leven was Schubert geen beroemdheid zoals tijdgenoot Beethoven en de waardering voor zijn oeuvre kwam ook pas postuum op gang.

Het boek Schubert van Hans J. Fröhlich is daarom geen puur biografische aangelegenheid. In het voorwoord geeft de auteur aan dat hij ook geïnteresseerd is in de sociale en psychologische achtergrond van de componist. Als bij dat laatste begrip – de psychologie – al geen alarmbellen zijn gaan rinkelen bij de lezer, dan zijn de analyses van Fröhlich aangaande Schubert reden genoeg om in het vervolg de pogingen van biografen om hun onderwerp psychologisch uit te diepen met argusogen te volgen. Scepsis is zeker op zijn plaats als dat onderwerp al bijna tweehonderd jaar geleden overleed.

Het gepsychologiseer van Fröhlich komt in een aantal passages pijnlijk naar voren. Zo kan de auteur het bijvoorbeeld niet laten om Schuberts ouders te pas en te onpas aan te wenden als Freudiaanse concepten in zijn gespeculeer over het karakter van Franz. Zo redeneert Fröhlich – zonder bewijs – dat Schubert als jongen getuige moet zijn geweest van geslachtsgemeenschap tussen zijn moeder en vader, omdat het huis waarin de familie woonde zo klein was. Deze hypothetische gebeurtenis zou zeer traumatisch geweest zijn voor de kleine Schwammerl en volgens de auteur later ook mogelijk verantwoordelijk voor de getroebleerde relatie tussen Schubert en zijn vader – die hij onderbewust het bezoedelen van zijn moeder kwalijk nam.
Dan zijn er ook nog de veelvuldige tekstanalyses, bijvoorbeeld die van Mein Traum geschreven in 1822, waarbij we van Fröhlich ook vooral de “incest met de maagdelijke moeder” als diepere laag niet onbenoemd mogen laten.

In zijn behandeling van de dood van Schubert lijkt het helemaal alsof Fröhlich zijn pijp tijdens het schrijven regelmatig stopte met hallucinerende middelen… Een maaltijd met zijn broers die de componist in de herberg Zum roten Kreuz zou hebben genoten is de aanleiding voor een reeks veronderstellingen die uiteenlopen van lichtelijk bizar tot bijzonder absurd. Schubert weigerde in de herberg namelijk zijn visgerecht te verorberen, waarschijnlijk omdat zijn appetijt door ziekte aangetast was geraakt. Voor de auteur is het echter ook een symbolisch gebaar, waarbij zijn oudere broer ineens de rol van gehate vader inneemt gedurende de maaltijd en er ‘duidelijke’ parallellen te zien zijn met de thematiek van Mein Traum, aldus Fröhlich tenminste.
Daar houdt de duiding niet op, want vis heeft volgens Fröhlich ook nog een fallische betekenis, hetgeen uiteindelijk deze psychoanalytische parel oplevert:

Zonder twijfel correspondeert echter het erotisch-esthetische welgevallen aan de ‘muntere Forelle’ met de weerzin tegen de dode, de gedode vis op zijn bord, in het bijzonder tegen de lucht ervan. Het is het weerzinaffect tegen de geur van sperma en de afscheiding tijdens de menstruatie. Juist dit laatste echter doet Schubert zich bewust worden van dubbele rol van de vrouw als moeder en geslachtelijk wezen.

Vanwege al het gepsychologiseer en gespeculeer is het makkelijk om te vergeten dat Schubert een groots componist was, maar de muziek speelt helaas niet vaak de hoofdrol in Fröhlichs biografie. Schetsmatig zijn de invloeden van buitenaf die een weerslag gehad hebben op het leven van Schubert en zijn vrienden, het strenge bewind van Prins Klemens von Metternich bijvoorbeeld. Aan het begin van de biografie schetst Fröhlich een mooi beeld van hoe het leven in het verarmde deel van Wenen moet zijn geweest en ook later in de biografie lukt het om te illustreren hoe Schubert geleefd moet hebben. Dergelijke momenten zijn helaas dun gezaaid. Zelfs aan biografische gebeurtenissen wordt soms snel voorbij gegaan, bijvoorbeeld zijn verblijf in Hongarije als docent bij de familie Eszterházy.
De chronologie is verder nog wel eens zoek, aangezien Fröhlich vaak gebeurtenissen van jaren later naar voren haalt om een punt te maken – de Schubert uit 1824 wordt dan bijvoorbeeld uitgebreid gebruikt om zijn vijftienjarige versie te contextualiseren.

Om de bovengenoemde redenen en het volstrekt archaïsche taalgebruik is de Schubert biografie van Hans J. Fröhlich een opgave om te lezen. Maar het eten van een forel of een stuk zalm zal in ieder geval nooit meer hetzelfde zijn.

Titel:The Orchestra
Ontwikkelaar(s):
Platform:iPad
Prijs:€ 12,99
Website:

IMG_1115Daar waar The Liszt Sonata nog een diepgravende app is, moet The Orchestra meer als een inleiding op klassieke muziek gezien worden. Geen diepgravende studies over gebruikte sleutels en modes, maar een gedegen uitleg over hoe een viool werkt, dat kan toch ook interessant zijn?

Touch Press bewijst met deze app dat dit weldegelijk het geval is, en gebruikt hiervoor het beste middel: de muzikanten zelf, in dit geval van het Britse Philharmonia Orchestra. Iedere muzikant belicht het instrument dat hij bespeelt en geeft een woordje uitleg erover. Daarbij krijg je dan nog informatie over de geschiedenis ervan, welke tonen het aankan, een 3D-model ervan en korte videofragmenten.

IMG_1116 Ook dirigent Esa-Pekka Salonen licht toe met welke bewegingen hij het orkest samen houdt en welk belang hij heeft bij de interpretatie van de muziek. Het belang van de dirigent wordt doorgaans behoorlijk onderschat, maar deze fout wordt in deze app niet gemaakt. Salonen gaat zelfs zover om andere manieren van dirigeren dan de zijne toe te lichten, wat dit tot één van de interessantste stukken van heel deze app maken.

IMG_1117Maar het belangrijkste is natuurlijk de muziek zelf, en deze wordt op een uitstekende manier gebracht. De manier waarop je een stuk volgt is volledig zelf in te stellen: met of zonder (volledige of niet) bladmuziek, grote of kleine videoschermen, met of zonder commentaar van de dirigent of van de muzikanten zelf (dit laatste is trouwens uiterst vermakelijk), en natuurlijk allemaal aan te passen tijdens het muziekstuk zelf.

Wat mij betreft hadden de stukken iets langer mogen zijn om zo ook ontwikkelingen binnen één stuk te kunnen belichten. Toch is het begrijpelijk dat er een keuze moet gemaakt worden: de app is nu al anderhalve gigabyte groot, waarvan de videofragmenten natuurlijk het merendeel van uitmaken.

IMG_1119Over de keuzes van de stukken kan natuurlijk gediscussieerd worden, maar het is duidelijk dat er veel moeite is gestoken in de keuzes van de stukken: van Haydn over Mahler tot Salonen zelf, een breed spectrum aan klassieke muziek wordt belicht. Toch zijn het elke keer behoorlijk korte fragmenten: 3 tot 5 minuten is het gemiddelde. Het enige volledige stuk muziek is Prélude à l’après midi d’un faune van Debussy, dat ongeveer 9 minuten duurt. Ook de ‘moderne’ stukken van Salonen en in mindere mate Lutosławski blijven behoorlijk hangen tot de klassieke variant en geven geen volledig beeld van de huidige staat van moderne muziek.

IMG_1120 Als inleiding is dit zowat de beste app die je je kan voorstellen: een interessante uitleg van een schare aan wereldmuzikanten, en een goede selectie van klassieke muziekstukken. En toch zal deze app geen vaste waarde worden op mijn iPad, in tegenstelling tot The Liszt Sonata. Daarvoor biedt deze applicatie niet genoeg diepgang en interessante materie. Toch is dit niet het primaire doel van Touch Press, daarvoor bestaan de Liszt en Beethoven app van dezelfde uitgever. Als inleiding tot de klassieke muziek echter behoort er geen betere investering dan deze applicatie.