Titel:Franz Liszt: The Virtuoso Years, 1811-1847
Auteur(s):
Jaar:1988
Uitgever:Cornell University Press
Waardering:

liszt-virtuoso-yearsIn de meeste recensies over de Liszt biografie van Alan Walker wordt er met verbazing gesproken over de hoeveelheid detail waarmee Walker zijn verhaal weet op te bouwen. Die verbazing is zeer zeker niet onterecht, dankzij het uiterst gedegen bronnenonderzoek van Walker lijkt wel alsof ieder kleine gebeurtenis in het leven van Liszt ergens door iemand in een brief of rondslingerend dagboek is opgeschreven. Nu is de rijkheid aan biografisch materiaal niet vreemd gezien Liszt’s sterrenstatus, samengevat door Heinrich Heine als “Lisztomania”, die zich het best laat vergelijken met de popidolen van nu. Deze hysterie rondom de persoon van Liszt heeft ook als gevolg daar er de nodige onzin en achterklap over de componist is geschreven. Voor een biograaf dus een schone taak uit alle feiten en nonsens het ware karakter van Franz Liszt te destilleren.

Walker begon zijn driedelige biografie omdat de bestaande literatuur aangaande Liszt incompleet of zwaar verouderd was. Veel 19de eeuwse boeken maken van Liszt bijvoorbeeld te veel een held en van zijn levensgezellin Marie d’Agoult een heks, terwijl andere geschriften het vitriool dat D’Agoult als schrijfster in haar latere literaire carrière over haar voormalige geliefde braakte te snel voor waarheid aannamen. Ook kleeft er aan Liszt als componist nog altijd de notie dat hij voornamelijk geïnteresseerd was in goedkoop effectbejag en bizarre pianistische capriolen. Gelukkig is dat laatste idee inmiddels min of meer op zijn retour.

Liszt’s virtuoze jaren worden door Walker op prachtige wijze beschreven. Beeldend is het taalgebruik ook, zo schetst de auteur in een paar pagina’s de persoon Niccolò Paganini, de vioolvirtuoos en een inspiratiebron voor Liszt en vele anderen tijdgenoten. Je ziet de spookachtige combinatie van duivelse genialiteit en vergaand lichamelijk verval levendig voor je dankzij het proza van Walker. Grondig bronnenonderzoek is natuurlijk weinig waard als het resulterende narratief een gortdroge chronologische opsomming is. Zo zou de vervaardiging en plaatsing van een standbeeld van Liszt’s grote held Beethoven in Bonn, een onderneming die hij onder meer financieel zeer genereus steunde, in enkele paragrafen beschreven kunnen worden. In de handen van Walker wordt het een rijk, episodisch verslag dat enkele malen in het boek opduikt en waarvan de onthulling in 1845 met dermate veel detail beschreven wordt dat het lijkt alsof Walker er – naast Liszt en collega’s als Moscheles, Berlioz en Spohr – zelf bij was.

Twee kleine “smetten” op de anderszins perfecte biografische onderneming moeten toch genoemd worden. Zo zijn de tamelijk lange voetnoten storend, ze lopen soms over twee pagina’s  en bevatten vaak amusante terzijdes die ook prima in de hoofdtekst zouden kunnen figureren. Een ander punt is dat Alan Walker soms wat te veel in de verdediging schiet waar het Liszt betreft, in “Liszt and the keyboard” is dit bijvoorbeeld vrij duidelijk aanwezig. De uitvinder van het symfonisch gedicht, de parafrase, het recital, het moderne dirigeren en tal van pianistische innovaties zou een dergelijke rechtvaardiging niet nodig moeten hebben. Nu moet gezegd worden dat de 19de eeuwse pers, met name het Parijse journaille, er een pervers genoegen in leken te scheppen om Liszt in een kwaad daglicht te stellen. Het imago van pompeuze rokkenjager die zich inlikte bij de Hongaarse adel, vervolgens optrad met een fonkelend, ceremonieel zwaard en componist van technisch verbluffende, maar emotioneel lege muziek heeft lang stand gehouden. In dat licht is Alan Walkers verdediging van Franz Liszt misschien zo gek nog niet.

Dit eerste deel van Walkers Liszt biografie leest afwisselend als een avonturenroman en een minutieus, liefdevol portret van een de grote vernieuwers in de muziekgeschiedenis. Van harte aanbevolen. Gelukkig zijn er nog twee delen.

Titel:Play It Again: An Amateur Against The Impossible
Auteur(s):
Jaar:2013
Uitgever:Jonathan Cape
Waardering:

Play It AgainAlan Rusbridger, hoofdredacteur van The Guardian en fervent amateur musicus, stelde zichzelf in 2010 ten doel om de Ballade in G mineur, Op. 23 van Frédéric Chopin te leren. De compositie die Chopin voltooide in 1831 staat bekend als bijzonder moeilijk, zelfs onder professionele pianisten. Over zijn ervaringen met het leren van de Ballade schreef hij het boek “Play It Again”, met als toepasselijke subtitel “An Amateur Against The Impossible”.

De “onmogelijkheid” van de hele onderneming van Rusbridger wordt al na een paar pagina’s duidelijk. Als hoofdredacteur maakt hij lange dagen en reist hij veel. Het jaar waarin hij het muziekstuk onder de knie tracht te krijgen staat ook nog eens in het teken van twee grote journalistieke gebeurtenissen waar Rusbridger en The Guardian actief bij betrokken zijn; WikiLeaks en het blootleggen van het afluisterschandaal rondom “News of the World”. Dit drukke bestaan zorgt er voor dat Rusbridger vooral vroeg in de ochtend zijn pianospel kan oefenen en dat maar voor gemiddeld twintig minuten, maar vaak ook dagen moeten overslaan.

Het mag geen verrassing zijn dat de auteur zich al snel afvraagt waar hij aan begonnen is en waarom hij met de hele onderneming door zou moeten gaan. De drang om het stuk te leren blijkt uiteindelijk toch groter dan de twijfel en wat volgt is een verhaal dat voor iedere amateur pianist, iedere muzikale dilettant zelfs, herkenbaar is om te lezen. Zo beschrijft hij de dagen dat niets lijkt te lukken, de frustratie over een gebrek aan technische progressie en een desastreuze voorspeelopdracht vanwege zenuwen en slaapgebrek tijdens een piano “boot camp”. Het zijn, tot op zekere hoogte, de onzekerheden van bijna iedere post-adolescente amateur die het spelen van een instrument (weer) heeft oppakt en zich er pijnlijk bewust is dat de jaren van snel vaardigheden leren toch echt voorbij zijn. Nu moet worden opgemerkt dat Rusbridger een niet onverdienstelijk pianist en klarinettist is en regelmatig met wisselende vriendengroepen kamermuziek speelt. De beste man is dus niet zo maar een beginneling, maar iemand die wellicht nog enige kans van slagen heeft om alle noten in de Ballade enigszins correct te raken.

Naast zijn worsteling met de Ballade vormt een serie interviews die Rusbridger afnam met bekende pianisten als Charles Rosen, Murray Perahia, Stephen Hough en Daniel Barenboim over de Ballade en de hedendaagse muziekcultuur een tweede peiler van het boek. Erg amusant is de geannoteerde partituur van de Ballade achterin het boek, waar de geïnterviewde pianisten commentaar leveren op diverse muzikale passages, naast de bij vlagen defaitistische aantekeningen van Rusbridger zelf.

Interessant zijn ook de bespiegelingen over de opkomende cultuur van het amateurisme met behulp van het Internet de laatste decennia. Rusbridger ziet deze cultuuromslag als een positieve ontwikkeling die zich zowel binnen de journalistiek en de muziekwereld voltrekt – grotendeels via dezelfde kanalen, Twitter, YouTube, e.d. Voor wat betreft de muziek ziet Rusbridger in dit oprukkende digitale dilettantisme parallellen met de praktijk van huisconcerten, iets dat zich het beste laat samenvatten door het Duitse begrip hausmusik en een onderdeel vormde van het dagelijks leven. Begin 20ste eeuw verdween de hausmusik langzaamaan uit het dagelijkse leven om plaats te maken voor geluidsdragers met kamermuziek en symfonisch werk. Rusbridgers ideeën over muzikaal amateurisme krijgen overigens in grote lijnen bijval van de geïnterviewde musici en worden ook door hen niet als negatief beschouwd.

Aangezien “Play It Again” de vorm heeft van een dagboek komen ook de dagelijkse werkzaamheden van Rusbridger aan bod. Deze passages zijn op zijn best als ze ook direct met zijn Ballade-project te maken hebben. Zo oefent Rusbridger de Ballade op een gammele piano in een hotel in Tripoli als ze een poging ondernemen om een Guardian-journalist te redden uit brandhaard Libië. Wat vergankelijker zijn de vele uitweidingen over WikiLeaks en het afluisterschandaal dat Groot-Brittannië in de ban hield – in Nederland genereerde dit dossier hoogstens een paar nieuwsberichten. Vele spelers in het langlopende afluisterschandaal trekken voorbij en na verloop van tijd hoop je dat Rusbridger weer eens over die vermaledijde Ballade gaat schrijven.

Op wat redactionele fouten na1 is “Play It Again” een uiterst aangenaam boek voor iedere amateur musicus en ook voor de liefhebber van Chopin en pianomuziek valt er veel te genieten. Wel zou ik graag willen weten waar je de vakanties kunt boeken die de auteur in Italië heeft en waar je blijkbaar toevallig een grote pianist als Alfred Brendel tegen het lijf kunt lopen…

Alan Rusbridger over “Play It Again”:

  1. Een anekdote over Mozart en een broodrooster duikt twee keer uitgebreid op, als ik het goed heb

Titel:Het Ware Leven van Johann Sebastian Bach
Auteur(s):
Jaar:2000
Uitgever:Open Domein, De Arbeiderspers
Waardering:

eidam-bachIn 2000 was het 250 jaar geleden dat J.S. Bach overleed. Het is dan ook weinig opzienbarend dat er een kleine opleving ontstond in de publicatie van biografisch werk over de persoon Bach. Het boek “Het Ware Leven van Johann Sebastian Bach”, geschreven door theatermaker Klaus Eidam, is een van de titels die toentertijd verscheen. Eidam is tevens als scenarist verantwoordelijk voor een miniserie over het leven van Bach uit 1985. De man is dus geen musicoloog, iets dat niet automatisch een probleem hoeft op te leveren bij het schrijven over muziek, ware het niet dat hij zijn enthousiaste dilettantisme bijna ieder hoofdstuk zeer scherp tegenover de gevestigde Bach-kenners in stelling brengt.

Het dedain waarmee Eidam regelmatig zijn collega’s op hun plaats meent te moeten zetten is het grootste zwaktepunt van het boek. De auteur beroept zich regelmatig op eigen onderzoek in diverse archieven en sommige van zijn ontdekkingen – die het gevestigde beeld van Bach op losse schroeven zetten – zouden zelfs opzienbarend genoemd kunnen worden, maar eveneens lastig te verifiëren aangezien het boek een wetenschappelijk bronvermelding mist.
Eidam tracht bijvoorbeeld, met behulp van officiële documenten uit de tijd van Bach, de omgang van de stadsraad van Leipzig met de componist kritischer te benaderen, deels om de mythe van Bach als “moeilijk persoon” te ontkrachten. Helaas verpakt Eidam dergelijke ontdekkingen te gretig in schimpscheuten richting grote namen als Philipp Spitta en Albert Schweitzer, ook al publiceerden zij respectievelijk in 1873 en 1905 hun Bach biografie. In de eerste hoofdstukken is het nog lichtelijk amusant om Eidam zo fel en ietwat sikkeneurig van leer te zien trekken tegen Bach-kenners, maar het wordt snel vermoeiend, zeker als dergelijke monologen pagina’s in beslag nemen en het puur biografische gedeelte in de weg gaan zitten.

Een ander voornaam punt van kritiek is de behandeling van Bach als persoon. Na het lezen van de biografie blijft er geen echt beeld hangen van wie Bach nu eigenlijk als persoon was. In zijn biografie over Beethoven slaagt Maynard Solomon hier bijvoorbeeld wel in, ondanks wat onnodig gepsychologiseer. Solomon heeft natuurlijk wel het voordeel dat zijn biografisch onderwerp leefde in een tijd waarin egodocumenten meer gemeengoed waren en ook de conversatieboeken die Beethoven in zijn levensfase van vergaande doofheid bijhield geven een bijzonder beeld van de componist – ondanks alle misplaatste opkuiswerkzaamheden van Anton Schindler.

De relatieve overvloedigheid van biografisch materiaal in het geval van Beethoven is veel minder aan de orde bij J.S. Bach en werkt wellicht nadelig in het scheppen van een persoonlijk beeld van de componist. Natuurlijk waagt Eidam zich aan een karakterschets en beschrijft hij getrouw de vele gebeurtenissen die de componist zijn overkomen. Wat echter beklijft is meer een Bach als “onbeschreven blad” onderhevig aan allerhande sturende (voornamelijk negatieve) invloeden van buitenaf – de stadsraad van Leipzig, Johann August Ernesti, de kerk, de vrouw van de Prins Leopold van Anhalt-Köthen, etc.
Voor Klaus Eidam lijkt het leven van Johann Sebastian Bach vooral te bestaan uit de Moedige Overlevingstrijd van zijn Bescheiden Held tegen de Machinaties van de Gevestigde Orde1. De vraag blijft echter of het leven van Bach een dergelijke invulling nodig heeft.

  1. Jazeker, met Heroïsche Hoofdletters.