Concert: Pavel Haas Quartet – Prokofiev, Beethoven & Shostakovich
Datum: 13 april 2016
Uitvoerende(n): Pavel Haas Quartet; Boris Giltburg, piano
Locatie: deSingel, Antwerpen
Waardering:

Foto: Marco Borggreve

Foto: Marco Borggreve

Er zijn van die avonden waar je na de eerste noot al weet dat het allemaal goed gaat komen. Het Pavel Haas Quartet overtuigde in 2013 in de Rotterdamse Doelen al met een weergaloze combinatie van Beethoven, Schnittke en Shostakovich en herhaalde dit kunststukje in Antwerpen andermaal met dezelfde combinatie van twee Russen en Ludwig.

Met het eerste strijkkwartet van Sergei Prokofiev werd de toon gezet. Violiste Veronika Jarůšková en cellist Peter Jarůšek hebben de gave om virtuositeit zo soepel te laten ogen, dat het bijna achteloosheid lijkt. Van opstartproblemen, of het ‘aanvoelen’ van de zaal was geen sprake, het Pavel Haas Quartet dook meteen in Prokofievs opwindende Allegro, om vervolgens glorieus af te sluiten met de twee Andantes. Prokofievs overtuiging dat een langzaam deel prima dienst kan doen als een afsluiter van een kwartet werd alleen maar kracht bijgezet door het begeesterde spel van alle leden van het viermanschap.

De stekelige bitterzoetheid van Prokofiev maakte daarna plaats voor elegante trillers, lange, lyrische bewegingen en fugatische elementen (want late Beethoven) van het Quartetto serioso. Een moeiteloze overgang naar het klassiekere materiaal van Beethoven en een fijne afsluiter van de eerste helft van het concert.

Voor het pianokwintet van Shostakovich werd het strijkkwartet versterkt door pianist Boris Giltburg die in 2013 de Koningin Elisabethwedstrijd won en sindsdien aan een veelbelovende carrière is begonnen. Het spel van Giltburg was passievol en een tikkeltje wild, maar overstemde het kwartet nooit. Zeker in het wervelende Scherzo werd het percussieve karakter van Shostakovich’ pianopartijen eens te meer benadrukt. De Fuga en het Intermezzo veroorzaakten kippenvel, ronduit prachtig.

Afgaand op hun bezoek aan Rotterdam in 2013 en de avond in deSingel, afgelopen woensdag, is een concert van het Pavel Haas Quartet in ieder geval iets waar in het vervolg blind kaarten voor geboekt kunnen worden, ongeacht het repertoire.

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this

Wilhelm Furtwängler en het Berliner Philharmoniker in 1942, gedurende een uitvoering van Wagners Overture uit "Die Meistersinger von Nürnberg".

Wilhelm Furtwängler en het Berliner Philharmoniker in 1942, gedurende een uitvoering van Wagners Overture uit Die Meistersinger von Nürnberg.

Beethoven, Bruckner en Wagner; dat zijn de namen die opvallend vaak op concertprogramma’s van het Berliner Philharmoniker prijkten ten tijde van Hitlers Derde Rijk. De nazi’s waren overduidelijk, maar lang niet altijd consequent, in hun afkeer en voorkeur voor bepaalde muziek. Gek genoeg is het lastig om een componist aan te wijzen die symbool kan staan voor de officiële muzikale smaak van het Derde Rijk. Beter gezegd is het moeilijk iemand te vinden die het muzikale nazi-ideaal wilde vertegenwoordigen en nog in leven was gedurende het regime van Hitler. Arno Breker (beeldhouwer), Adolf Ziegler (schilder) en Albert Speer (architect) zijn allen personen die sterk verbonden zijn met de esthetische principes van Nazi-Duitsland. Voor de muziek van het Derde Rijk moet je echter bijna vijftig jaar terug in de tijd reizen. Hitler had nog niet eens last van snorgroei toen Anton Bruckner kwam te overlijden…

Operette

Dat neemt niet weg dat er een aantal componisten actief waren die wellicht gezien zouden kunnen worden als de eigentijdse erfgenamen van de Germaanse kunsttraditie waarmee de nazi’s dweepten. Bekend is de verheerlijking van de volkscultuur in alle kunsten. Naast zware kost als Bach, met zijn Barokdiscipline en een stamboom “vrij van raciale smetten”, kende de populariteit van de schlager daarom bijvoorbeeld een grote opleving. Tijdens de bijeenkomsten van de verschillende organisaties die na Hitlers Machtergreifung als paddestoelen uit de grond schoten werden er ook diverse liederen en hymnes gezongen. Het moge duidelijk zijn dat dergelijke liederen niet uitblonken in nuance en muzikaal vernuft. Veelzeggend is overigens dat de oorsprong en componist van de melodie van het Horst-Wessel-Lied, de partijhymne van de NSDAP, nog altijd niet bekend zijn. De opzwepende woorden achtte men blijkbaar belangrijker dan de muziek.

Opvallender is echter de nationale liefde voor operette en dan met name de zogenaamde Volksoperetten. Leon Jessels Schwarzwaldmädel, over ontluikende liefde in een pittoresk dorpje in het Zwarte Woud, was een favoriet van zowel Adolf Hitler als Heinrich Himmler. De conservatieve Jessel flirtte met het nazisme in de begindagen, maar moest het uiteindelijk met de dood bekopen vanwege zijn Joodse komaf. Franz Lehár, bekend van Die lustige Witwe, kon wel op de steun rekenen van hooggeplaatste nazi’s en ook Hitler was een groot bewonderaar. Zo ontving hij de Goethe-Medaille en werd zijn muziek regelmatig ingezet voor propagandadoeleinden. Paul Lincke vierde al rond de eeuwwisseling successen met zijn operettes en wist zich daarom verzekerd van de waardering van het regime. Zijn compositie Frau Luna vormde de basis voor een gelijknamige operettefilm, een genre dat wereldwijd en zeker in Duitsland enige populariteit genoot. Het is veelzeggend dat Wiener Blut, een operettefilm naar aanleiding van het werk van Johann Strauss II (maar met name toch diens assistent Adolf Müller Jr.), een van de kassuccessen van de filmindustrie van het Derde Rijk was.

Het is waarschijnlijk dat de Volksoperette na de oorlog te lijden heeft gehad onder de aandacht van het nazisme, al hebben de successtukken van Jessel, Lehár en Lincke heden ten dage weinig aan waardering ingeboet. De opkomst van de musical en Amerikaanse populaire muziek hebben waarschijnlijk meer invloed gehad op de verminderende interesse voor de, plots oubollige, operette gedurende de twintigste eeuw.

Werner Egk en Hans Pfitzner

Hans Pfitzner

Hans Pfitzner

In de Sovjet-Unie van Dmitri Shostakovich en Sergei Prokofiev bestond er een duidelijke definitie van wat ware Sovjetmuziek moest zijn. De anti-formalistische campagne naar aanleiding van de Zhdanov Doctrine in 1948 is een duidelijk voorbeeld van hoe zeer de kunsten doordrongen waren van staatscensuur. Daarnaast was het bewind zo vriendelijk om in niet mis te verstande bewoordingen te communiceren wat dan het antwoord moest zijn op het verfoeide formalisme en werden er zelfs opdrachten verstrekt aan componisten om stukken te schrijven in de officiële Socialistisch Realistische stijl.
Propagandaminister Joseph Goebbels’ Reichsmusikkammer, met Richard Strauss als boegbeeld, is wellicht vergelijkbaar met de Bond van Sovjetcomponisten in de hoedanigheid als gilde voor componisten en musici, maar ook als controleorgaan dat toezag op de naleving van de esthetische dogma’s. Toch zou de geboorte van een ‘Nazi Symfonie’, vergelijkbaar met de vijfde van Shostakovich, in opdracht van de Reichsmusikkammer niet snel het levenslicht gezien hebben; in het Duitsland van Adolf Hitler verheerlijkte men liever de muziek van het verleden.

Twee componisten zijn echter interessant, omdat ze met enig succes opereerden gedurende de opkomst en ondergang van het Derde Rijk.

Hoewel Werner Egk vrijgepleit werd van intensieve samenwerking met het regime gedurende de denazificatie, kon hij desalniettemin rekenen op bovenmatige interesse van hooggeplaatste nazi’s vanaf 1933. Velen beschouwen Egk als een opportunist die zijn Stravinskiaanse stijl plots vergat en zijn succesopera Die Zaubergeige doorspekte met Beierse volksmelodieën, daarmee bewust inspelend op het nazi-ideaal van völkische Kultur. De vermeende knieval legde Egk geen windeieren. Goebbels sprak over hem als een “waardige opvolger van Wagner” en de opdracht voor balletmuziek voor de Olympische Spelen in 1936 was een direct gevolg van de waardering voor Die Zaubergeige. Na verdere successen kreeg Egk zelfs 10.000 Reichsmark om een opera te componeren met nazistische thematiek. De opera kwam er nooit, maar de componist genoot desondanks immer de bescherming van het Naziregime. Egk kwam bijvoorbeeld samen met drie collega’s1 voor op Goebbels’ en Hitlers Gottbegnadeten-Liste, opgesteld in 1944. De lijst bevatte alle kunstenaars die men essentieel achtte voor het voortbestaan van de cultuur van het Derde Rijk en waren daarom uitgezonderd van militaire dienst. Na de Tweede Wereldoorlog had de carrière van Werner Egk geenszins te lijden onder zijn eerdere populariteit in Nazi-Duitsland. Egk bekleedde meerdere belangrijke posities in het naoorlogse Duitse muziekleven en staat nu voornamelijk bekend als een culturele spil in de wederopbouw.

De anti-modernist Hans Pfitzner was een uitgelezen kandidaat om componist van de nazi’s te worden, ware het niet dat zijn karakter en achternaam hem uiteindelijk te parten speelden. Pfitzner beleefde op achtenveertigjarige leeftijd zijn eerste grote succes met de opera Palestrina in 1917 en wist de populariteit van dit werk nooit meer te evenaren. De toch al kribbige componist verzuurde in de opvolgende jaren dusdanig en trok fel van leer tegen de ‘vervuiling’ van de Duitse cultuur. De Weimarrepubliek en de bijbehorende ‘culturele decadentie’ waren volgens Pfitzner bovenal het resultaat van een Joods complot. Het mag geen verrassing heten dat een componist met dergelijke denkbeelden de interesse wekte van de nazi’s. Zo raakte hij al snel bevriend met Hans Frank, de persoonlijke advocaat van Hitler, die hem in contact bracht met verschillende hooggeplaatste leden in de partij.
Al snel vormde Pfitzners antisemitisme echter een probleem, omdat hij verre van consequent was in zijn Jodenhaat. Zo werkte hij veelvuldig samen met de Joodse dirigent Bruno Walter en weigerde muziek te schrijven voor A Midsummer Night’s Dream ter vervanging van Mendelssohns partituur, die hij perfect achtte. Na een desastreus verlopen ontmoeting met Hitler in 1923, waar hij het waagde de Führer tegen te spreken, was zijn verdere lot eigenlijk bezegeld. Pfitzner probeerde vanaf 1933 meerdere malen bij te dragen aan de culturele activiteiten van de nazi’s, maar werd hierin systematisch tegengewerkt door diverse partijfunctionarissen. Bij Hitler was zelfs de indruk ontstaan dat de componist half-Joods was, op basis van diens achternaam, hetgeen een carrière nog verder bemoeilijkte. In 1934 stuurde men hem gedwongen met pensioen, waarna Pfitzner nog naam probeerde te maken binnen de lagere echelons van de nazipartij en als dirigent in de door Duitsland bezette gebieden.
Een gedesillusioneerde, bejaarde Pfitzner werd na de oorlog onschuldig bevonden tijdens de denazificatieprocessen en stierf berooid in een bejaardentehuis in 1949.

Hans Pfitzner was misschien wel een van de weinige componisten van enig kaliber die het Naziregime vrijwillig en met overgave van dienst wilde zijn. Toch plakte men plakte de titel van hofcomponist van het Derde Rijk uiteindelijk liever op een van die ‘Grote Germanen’ uit het verleden; Johann, Ludwig en Richard.

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this
  1. Naast Carl Orff en Richard Strauss, stond Hans Pfitzner ook op de lijst, ondanks alles.

Concert: Kammerorchester Basel & Christian Zacharias – Mendelssohn, Beethoven en Schumann
Datum: 13 mei 2015
Uitvoerende(n): Kammerorchester Basel, Christian Zacharias
Locatie: deSingel, Antwerpen
Waardering:

Foto: Christian Flierl

Foto: Christian Flierl

Dirigerende pianisten zijn geen unicum, maar een pianist die het orkest bestierd vanachter de piano is toch wat zeldzamer. Christian Zacharias deed het, samen met het Kammerorchester Basel, in een vertolking van het derde pianoconcert van Ludwig van Beethoven. Zacharias’ spel wist helaas niet heel erg te vervoeren, hetgeen bijvoorbeeld erg duidelijk werd in het ongeïnspireerde Largo. Het is nooit een goed teken als Beethovens langzame delen eindeloos lijken te duren. Het samenspel tussen orkest en piano miste vaak de nodige precisie, zoals blazers die een fractie te vroeg inzetten, zeker gedurende de veeleisende passages voor de pianist.

Robert Schumann zou als een kind zo blij zijn met de moderne opnamestudio en de uitvinding van de meersporenopname. De hoeveelheid lagen waaruit zijn tweede symfonie is opgebouwd is gigantisch. Een heel spetterende afsluiting werd van de avond werd de symfonie echter niet, welicht te wijten aan Schumanns orkestratie, maar waarschijnlijk eerder de vlakke interpreatie van het Kammerorchester Basel.

De toegift, een deel uit de vijfde symfonie van Felix Mendelssohn, deed vermoeden dat Christian Zacharias zich aanmerkelijk beter thuis voelde in het idioom van deze vroege Romanticus. Mendelssohns Ouverture “Die Hebriden”, waarmee het concert opende, was een andere aanwijzing voor deze affiniteit. In de concertouverture kwam de aangename klank van het kamerorkest, met kleine gebaren geleid door Zacharias, ten volle naar boven. Een volledig Mendelssohnprogramma was misschien nog niet eens zo’n gekke keuze geweest, in plaats van de twee middelmatige uitvoeringen van Beethoven en Schumann die nu het leeuwendeel van het concert vormden.

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this

Waar is de liefde voor Gustav Mahler in Wenen? Van menig componist is een standbeeld te zien, of is er een voormalig woonhuis te bezoeken. Mahler moet het doen met een summiere tentoonstelling in het Haus der Musik, voor een echt museum moet je uitwijken naar Tsjechië of Karinthië. Een standbeeld is in geen velden of wegen te bekennen.

Van de grote componisten uit Wenen komen Ludwig van Beethoven en Franz Schubert er het beste vanaf qua tentoonstellingsruimtes. In het geval van Schubert zijn er twee huizen te bezoeken, zijn geboortehuis aan de Nussdorfer Strasse en het appartement waar hij stierf aan de Kettenbrückengasse (alleen open op woensdag). Beethoven bewoonde zo’n zestig lokaties verspreid over de stad, waarvan er drie geopend zijn voor publiek.

Beethoven Wohnung Heiligenstadt

Probusgasse 6
Beethoven Haus HeiligenstadtHeiligenstadt is een nogal slaperig stedelijk aangroeisel van Wenen. In de tijd van Beethoven moet het echter een prachtig, landelijke gelegen dorp zijn geweest met uitzicht op velden en bossen. Het huis waar Beethoven zijn Heiligenstadt Testament geschreven zou hebben, ligt aan een smalle, rustige straat. Binnengekomen blijkt de tentoonstelling te bestaan uit twee kamers, gevuld met portretten van mensen en weinig informatieve bijschriften, vergelijkbaar met het Pasqualatihaus. Het is ook nog eens zeer onzeker of Beethoven wel op dat bewuste adres zou hebben gewoond…

Schubert Geburtshaus

Nussdorfer Strasse 54
Schubert GeburtshausHet lijkt er op dat het appartementengebouw Zum rothen Krebsen, waar Schubert geboren werd, niet zo heel druk bezocht wordt door toeristen. De permanente tentoonstelling bevat een aantal charmante objecten, zoals de bril van Schubert en de piano van zijn broer Ignaz. Verder helaas weer hetzelfde gebrek aan context dat ook in de beide huizen van Beethoven opviel. Een gravure van Anselm Hüttenbrenner inlijsten met daarbij enkel het bijschrift dat het een afbeelding van Anselm Hüttenbrenner betreft, maakt nog geen tentoonstelling. Van de bezochte componistenhuizen is de tentoonstelling in het Haydnhaus toch veruit het beste.

Wiener Secessionsgebäude

Friedrichstrasse 12
Wiener SecessionsgebäudeHet Secessiongebouw van architect Joseph Maria Olbrich is nog steeds een bijzonder gezicht. In de kelder van deze Jugendstiltempel huist het imposante Beethovenfries van Gustav Klimt. Alleen daarom is het gebouw een bezoek meer dan waard. De beide andere tijdelijke tentoonstellingen van hedendaagse kunstenaars Josef Strau en Kristin Oppenheim stellen echter teleur. De titel van de instllatie van Strau geeft al een kleine indicatie van de artistieke pretenties: A Turtle Dreaming (…Echoes from an Encapsulated Space Exiled Sounds of Letters Requiring Symphonic Treatment). Gelukkig ondervangt de kunstenaar enige vorm van kritiek al op een van de vele merkwaardig getypografeerde lappen tekst die aan de muur hangen: de installatie gaat alleen maar over hem en de bezoeker doet er niet toe. Er waren verder geen andere bezoekers voor Josef, dus dat doel was al bereikt.

Belvedere

Prinz Eugen-Strasse 27
Untere BelvedereWenen heeft overduidelijk een aantal schofterig rijke inwoners gehad, dat is direct af te lezen aan de weelderige, monumentale architectuur. Het Belvedere spant echter de kroon. Het complex bestaat uit twee majestueuze Barokpaleizen waar een imposante collectie kunstschatten tentoon wordt gesteld. In het Untere Belvedere is een tijdelijke tentoonstelling over het Congres van Wenen (1814-1815). Veel dappere edelmannen te paard, propagandistische beeltenissen van Napoleon en bustes van diverse koningen en andere gezaghebbers.
De permanente collectie in het Obere Belvedere is het pronkjuweel waar de meeste bezoekers voor komen en dan met name de eerste verdieping, waar de beroemde werken van Gustav Klimt (De Kus en Judith) hangen. Naast de Klimt zijn er echter ook de prachtig schonkige lijven van Egon Schiele en het expressionisme van Oskar Kokoschka te vinden. Omdat het Belvedere zo gigantisch is (er is ook nog een Winterpaleis dat bezocht kan worden) treedt er na verloop van tijd wel een soort kunstmoeheid op. Na twee uur is het lastig om nog aandachtig alle penseelstreken van de mooischilderij uit de Biedermeier-periode te bekijken.

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this

Stadtpark

Een bezoek aan Wenen is niet compleet zonder een korte rondgang door het Stadtpark. In het park staan een aantal beelden van beroemde inwoners van Wenen, waaronder de componisten Schubert, Bruckner en Lehár. Walskoning Johann Strauss II is ook present, met een uiterst smaakvol en bescheiden standbeeld…

In de buurt van het Stadtpark ligt een ietwat eenzaam plein met daarop een groot monument van Beethoven. Het gouden beeld van collega Johann leek echter een beduidend populairdere trekpleister.

Haus der Musik

Seilerstätte 30
De ontdekkingsreis door de muziek die het museum belooft, kent een wat vreemd verloop. Op de eerste verdieping is er de historie van het Weense muziekleven, met het Wiener Philharmoniker als zwaartepunt. Een vrij traditionele tentoonstelling, met vitrines en bijschriften, waarvan helaas niet alle tekst in het Engels beschikbaar is.
Met de zogenaamde Sonosphere op de volgende verdieping wil men illustreren hoe geluid werkt. De meeste installaties blijven toch vooral een gimmick, zoals de entree via een soort baarmoeder met mechanisch geritsel, een kamer met kakafonisch stemgeluid en pijnlijk slechte danceremixes van Beethoven en Mozart. Misschien leuk voor kinderen, maar niet heel diepgravend of zelfs leerzaam.
De viering van de grote componisten die volgt laat ook nogal wat te wensen over. Haydn en Schubert komen er nog het beste vanaf, maar de summiere informatievoorziening en weinig tot de verbeelding sprekende tentoonstellingsobjecten maken het vooral een wat suffe aangelegenheid. Wellicht dat de optionele audiotour de rondgang van meer context voorziet. Dieptepunt vormt een ingelijste verklaring van een “gekwalificeerde Feng Shui consulente” die de inrichting van Beethovens huishouden analyseert aan de hand van de I Ching.
De Virto|Stage op de laatste verdieping is een soort virtueel podium waar de bezoeker in theorie zelf een muzikale productie kan regisseren. Het maakte nog eens duidelijk dat een fikse investering in multimedia niet altijd een betere tentoonstelling oplevert.

Haydnhaus

Haydngasse 19
HaydnhausIn Gumpendorf, een voormalig dorp buiten Wenen, ligt het laatste huis dat Franz Joseph Haydn ooit bewoonde. Oorspronkelijk wilde Maria Anna Haydn dat haar echtgenoot het huis zou aankopen als woning voor haar toekomstige weduwschap. Haydn bouwde een volledige verdieping op het huis, overleefde zijn vrouw uiteindelijk met bijna tien jaar en woonde zelf tot aan zijn dood aan de Kleine Steingasse (wat nu de Haydngasse is).
De permanente tentoonstelling die nu in het charmante dorpshuis te zien is, richt zich voornamelijk op de dagelijkse routine van de componist en op de vele gasten die hem in zijn nadagen bezochten. In de achterkamer is overigens een permanente gast neergestreken, een groot liefhebber en postume collega van Haydn: Johannes Brahms. Er is ook aandacht voor de ontwikkeling van de stad Wenen en de tijd waarin Haydn leefde. Net als in het Haus der Musik veel kleine voorwerpen en ingelijste manuscriptvellen, maar in dit geval altijd in duidelijk en gemotiveerd verband met Haydn getoond. In de tuin van het huis is nog altijd goed te begrijpen waarom het voor Haydn zo prettig wonen moet zijn geweest, zelfs nu is het nog een erg rustige plek.

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this

Mensen die niet van neoclassicistische architectuur houden kunnen Wenen beter vermijden. Bijna iedere grote straat in de binnenstad heeft wel een negentiende eeuwse cultuurtempel in Grieks/Romeinse stijl die de moeite van het bezoeken waard is.

Naast het traditionele openbaar vervoer (tram, bus en metro) is er de mogelijkheid om per fiets de stad te bezichtigen. Er zijn 120 standplaatsen van de zogenaamde Citybikes in de stad, die na een eenmalige registratie van 1 euro een uur gratis te gebruiken zijn (of langer, tegen een vergoeding van 1 euro per uur). Het aantal fietspaden in Wenen is imposant, al zijn ze niet altijd even logisch aangelegd. Voor wie grotere afstanden wil afleggen en toch wat van de stad wil zien is de fiets echter een uitkomst.

Arnold Schönberg Center

Schwarzenbergplatz 6
Arnold Schönberg CenterEen straatlengte verwijderd van de verkeersdrukte ligt sinds 1998 het Arnold Schönberg Center, in een pand dat men deelt met vage consultatiebureau’s en een subdivisie van een Russische oliemaatschappij. Het centrum dient voornamelijk als archief, maar is doordeweeks ook open voor bezoekers. De permanente tentoonstelling, Arnold Schönberg: Der Musikalische Gedanke, is de moeite waard. Dat komt voornamelijk door het vele audio- en videomateriaal dat voorhanden is en de collectie van Schönbergs persoonlijke bezittingen. De replica van Schönbergs werkkamer in Los Angeles laat mooi zien hoezeer de componist doordrongen was van het uitvindersschap. Zijn vindingrijkheid manifesteerde zich op een banaal niveau als het vervaardigen van een houten plakbandapparaat, tot een nieuwe vorm van coöperatief schaken, tot het openbreken van de muzikale wetten met zijn twaalftoonstechniek.

Beethoven Gedenkstätte Floridsdorf

Jeneweingasse 17
Beethoven Gedenkstätte FloridsdorfDit gedenkteken is zo’n locatie die niet heel praktisch te voet is te bereiken. De route voert namelijk de binnenstad van Wenen uit, over de Donau, richting het 21ste district van de stad. Het gedenkteken, ondanks trotse vermelding op de website van het toeristenbureau, is helaas niet zo heel bijzonder. Een kleine gedenksteen hangt aan de gevel van een klein huis dat ooit aan Anna-Marie Erdődy toebehoorde, een van de mogelijk kandidaten voor Beethovens Unsterbliche Geliebte. Het huis is blijkbaar ook toegankelijk voor publiek en er huist een klein museum in. Helaas is het alleen geopend op dinsdag en donderdag.

Beethoven Pasqualatihaus

Mölker Bastei 8
Beethoven PasqualatihausBeethoven heeft op vele plaatsen in Wenen gewoond en gewerkt en het Pasqualatihaus is daarom een van de vele locaties die bezocht kunnen worden. Helaas is de souvenirwinkel in hetzelfde pand duidelijker aangegeven en valt de tentoonstelling op de vierde verdieping van het appartementengebouw nogal tegen. In vier wit gepleisterde kamers zijn replica’s van partituren en portretten te zien. Er zijn wat bijschriften, maar het merendeel van de tentoongestelde stukken wordt zonder enige context aan de bezoeker voorgeschoteld. Esterházy en Razumovsky zijn bekende namen in de muziekgeschiedenis, maar waarom hun portretten in Beethovens appartement op een schildersezel staan wordt volledig aan de verbeelding van de bezoeker overgelaten. Het enige echte pronkstuk is Beethovens piano met vijf pedalen, die prominent in de eerste ruimte te zien is.

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this

Concert: Mark Padmore & Paul Lewis – Beethoven, Schubert
Datum: 16 april 2015
Uitvoerende(n): Mark Padmore, tenor; Paul Lewis, piano
Locatie: de Doelen, Rotterdam
Waardering:

Foto: Marco Borggreve

Foto: Marco Borggreve

Liederen van Schubert klinken op zijn best als ze gezongen worden door een bariton. Die mening was ik in ieder geval lange tijd toegedaan. Het is met name de immense en welverdiende reputatie van bariton Dietrich Fischer-Dieskau die andere zangers makkelijk en vaak onterecht weet te overschaduwen. Franz Schubert schreef zowel Winterreise als Die Schöne Müllerin oorspronkelijk voor tenor, hetgeen de vermeende superioriteit van de bariton in combinatie met Schuberts liederen op zijn minst twijfelachtig maakt. Tenor Mark Padmore zaaide gisteren nog meer twijfel door samen met pianist Paul Lewis een magistrale uitvoering van Schwanengesang ten beste te geven.

De avond begon met liederen van Schuberts idool; Ludwig van Beethoven. Padmores vertolking van Abendlied unterm gestirnten Himmel maakte meteen duidelijk dat het een bijzonder concert ging worden. Zijn manier van zingen, vrij van gemaniëreerdheid, paste perfect bij het pianospel van Paul Lewis, dat uitblonk in heldere klank en een duidelijk gevoel voor de muzikale lijn. Bij Mark Padmore geen overdreven, woordeloze zuchten of gepijnigde grimassen; het is de muziek die moet spreken.
In Beethovens idiosyncratische An die ferne Geliebte gaf Padmore een genuanceerde invulling aan het verlangen naar een onbereikbare geliefde, een perfecte opmaat naar Schwanengesang.

Schuberts laatste Liedercyclus mag dan misschien voornamelijk het product zijn van een gewiekste uitgever die na de dood van Franz Schubert de dertien liederen als bundel op de markt bracht, maar de kwaliteit van de muziek maakt de afwezigheid van een verbindende thematiek of verhaallijn meer dan goed. De interpretatie van Schwanengesang door Padmore en Lewis leverde een intense ervaring op. In der Ferne, een werk dat toch een wat eigenaardig gedicht ten grondslag heeft, werd door de muzikale behandeling van Schubert en Padmores interpretatie zoveel meer dan een vingeroefening in herhalingsrijm.
Met name de twee werken in de cyclus die werkelijk overlopen van de weemoed en zielenpijn (Der Atlas en Der Doppelgänger) vormden een hoogtepunt, zeker in combinatie met de zachtmoedigere liederen die daar direct op volgden. In Der Atlas liet Lewis de piano bulderen en werd ook duidelijk dat het bereik van Padmores stem perfect aansluit bij het gewicht dat Schubert in zijn Lied van de zanger vraagt. De treffende vertolking van Atlas’ bijna agressieve Weltschmerz maakte de ingetogen weemoed van Ihr Bild nog emotioneler en krachtiger. Der Doppelgänger werd door Padmore subtiel opgebouwd om uiteindelijk tot een onontkoombare ontlading te komen, waarin de zanger getergd uithaalt naar zijn kwelgeest. De lichtvoetige toon van Die Taubenpost, met zijn aanstekelijke lyriek, vormde een mooie laatste mogelijkheid voor Lewis om zijn prachtige spel te etaleren. Het lange slotapplaus was meer dan terecht.

Een registratie van het concert wordt in juni uitgezonden als onderdeel van het Avondconcert op Radio 4.

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this

Concert: Alban Gerhardt & Steven Osborne – Debussy, Schnittke, Messiaen, Beethoven
Datum: 4 maart 2015
Uitvoerende(n): Alban Gerhardt, cello; Steven Osborne, piano
Locatie: deSingel, Antwerpen
Waardering:

Foto: Sim Canetty-Clarke

Foto: Sim Canetty-Clarke

Het is bijzonder onfortuinlijk dat Claude Debussy zo weinig kamermuziek voor cello geschreven heeft. Zijn Cellosonate is namelijk een prachtig werk, vol kleur en technisch vernuft. De sonate was het werk waar cellist Alban Gerhardt en pianist Steven Osborne hun avond mee openden. Beide mannen waren uitstekend op elkaar ingespeeld en gaven blijk van een groot begrip voor het muzikale materiaal. Opvallend was de mooie balans in dynamiek tussen de twee instrumenten. Nergens walste Osborne het spel van Gerhardt naar de achtergrond, iets dat maar al te makkelijk kan gebeuren met een moderne piano.

In de eerste cellosonate van Alfred Schnittke kwam een keur aan emoties en klankschakeringen voorbij. Een spannend stuk muziek waar de componist continu speelt met de grote en kleine terts en de authentieke cadens die als een soort thema in het werk verweven is. Gerhardt en Osborne maakten er een enerverende rit van, waarbij cello en piano elkaar moeiteloos afwisselden in gebulder en gefluister.

Schnittkes polystylistische palet vloeide naadloos over in het extreem meditatieve Louange à l’éternité de Jésus uit Olivier Messiaens meesterwerk Quatuor pour la fin du temps. Het ritmische spel dat Messiaen met de luisteraar speelt, in combinatie met de hypnotiserend lange strijkbewegingen van de cellist maken het geheel tot een bijzondere ervaring. Jammer dat het volledige kwartet niet vaak op een podium te horen is. Op wat kleine strijksmetten na, een betoverende uitvoering van dit bijzondere werk.

Louange à l’éternité de Jésus zou een mooi slot geweest zijn van een enerverende avond, maar er stonden nog twee cellosonates (4 en 5, Op. 102) van Ludwig van Beethoven op de rol. Het programmeren van een blok Beethoven na een serie werken uit de twintigste eeuw was misschien niet zo’n gelukkige keuze. Een andere verdeling had wellicht een iets krachtigere luisterervaring opgeleverd.
Niet dat er in dit geval iets viel af te dingen op het spel van Osborne en Gerhardt. In vergelijking met de werken van voor de pauze was er in de Beethovensonates duidelijk een grotere rol weggelegd voor lyrisch pianospel en dat is Steven Osborne wel toevertrouwd. Beide mannen wisten ook mooi het mysterieuze te vatten, een spanningsveld dat veel van Beethovens werk kenmerkt. Het is lastig te zeggen wat dat vleugje mysterie behelst, maar je kunt er ogenblikkelijk de bezielde interpretaties van de ongeïnspireerde mee scheiden. Bezieling en plezier was er in beide sonates meer dan genoeg aanwezig. De reuring die ontstond onder het publiek over een snurkende vrouw leidde wel enigszins af van de muziek gedurende de laatste sonate. Hopelijk werd de dame in kwestie uitgeslapen wakker tijdens het slotapplaus…

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this

Concert: Harriet Krijgh & Magda Amara – Beethoven, Rachmaninov, Chopin
Datum: 15 februari 2015
Uitvoerende(n): Harriet Krijgh, cello; Magda Amara, piano
Locatie: de Doelen, Rotterdam
Waardering:

Foto: Nancy Horowitz

Foto: Nancy Horowitz

Harriet Krijgh en Magda Amara presenteerden drie licht verteerbare stukken op de zondagochtend. Dat is misschien een wat vreemde uitspraak met Rachmaninov op het programma, aangezien de man zowat in zijn eentje de hele Romantiek in stand hield tot ver in de twintigste eeuw. Zowel Beethovens variaties op het duet Bei Männern, welche Liebe fühlen uit Die Zauberflöte van Mozart en de Introductie en polonaise brillante van Chopin kenmerken zich echter door een elegantie en relatieve lichtvoetigheid.

Beethovens duet tussen cello en piano kwam in de uitvoering van Krijgh en Amara niet altijd volledig tot zijn recht. De wat harde aanzetten van de cello vormden in dit geval bij vlagen een kleine smet. Ook viel er niet aan de indruk te ontkomen dat er met name voor de cello een hoofdrol was weggelegd.

In het geval van Rachmaninov, een pianocomponist bij uitstek, lagen de verhoudingen anders. Amara en Krijgh wisten goed raad met het muzikale materiaal in de Sonate voor cello en piano, Op. 19. Het is jammer dat Rachmaninov nooit lang stil lijkt te willen staan bij zijn muzikale thema’s. Een componist als Schubert zou het Allegro scherzando ongetwijfeld veel langer hebben uitgesponnen dan de krappe zeven minuten die dat deel gemiddeld in beslag neemt. Gedurende de wat meer onstuimige passages drukte de Steinway soms het cellogeluid van Krijgh wat al te veel naar de achtergrond, maar dat zijn details, de sonate kwam als geheel mooi tot zijn recht.

Dat gold eveneens voor het Introductie en polonaise brillante, Op. 3 van Frédéric Chopin. Het klaterende pianogeluid bood in dat werk een mooi contrast met de warme klank van de cello. Mooi spel hier van Amara en dankzij de begeesterde algehele interpretatie een passende afsluiter.

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this

Titel: Beethoven 9
Ontwikkelaar(s):
Platform: iPad
Prijs: 12,99 (gratis proefversie beschikbaar)
Website:

2014-11-18 22.04.16

2014-11-16 19.37.16Wat zou Beethoven hiervan gevonden hebben? Een klein toestel waar vier volledige orkesten in verblijven en die niets anders doen dan zijn negende symfonie spelen. Aan Beethoven zelf kunnen we het niet meer vragen, maar dat is wat de app van Touch Press ons belooft: vier volledige uitvoeringen van Beethovens meest populaire symfonie (of is dat de vijfde?).

The Orchestra viel als app wat licht uit, vooral omdat het slechts om fragmenten van grotere stukken ging. Niets van dat alles in deze ‘Beethoven 9’, waar de focus op één stuk ligt. Voor wie The Liszt Sonata al kent, weet waar zich aan te verwachten. En toch biedt deze app nog zoveel meer.

Niet in het minst omwille van de vier uitvoeringen, elk verschillend op hun eigen manier. De eerste opname in stereo van het stuk uit 1958, geleid door Fricsay, laat een vroege uitvoering zien. De opname van Karajan, amper vier jaar jonger, laat al een heel ander geluid horen: zeer strak gespeeld en volledig onder controle. De opname van 1979 (de enige met video opname) van Bernstein is de meest traditionele en diegene die het best kan geassocieerd worden met het collectieve geheugen. Uit 1992 komt er een vreemde eend: Gardiner met een ‘historically inspired’ opname, gespeeld op instrumenten uit de tijd van Beethoven en een stuk lager gestemd, zoals het waarschijnlijk ook oorspronkelijk zo bedoeld was.

Iedere opname wordt uiteraard begeleid door een volledige partituur en een manuscript van het stuk uit 1825. Ook is er de keuze tussen een korte begeleidende commentaar, of een diepgravende, theoretische analyse (die zo lang is dat het stuk dient gepauzeerd te worden om te kunnen volgen met lezen). Deze informatie is zo interessant dat het geen straf is om het muziekstuk vier keer na elkaar volledig te horen, iedere keer in een andere uitvoering. Uiteraard hoort er ook een hypnotische kleurenschema bij, waardoor je precies kan zien welk instrument er op elk moment aan het spelen is. Op elk moment kan er trouwens geswitcht worden tussen de uitvoeringen, waardoor je goed kan vergelijken. Zo zijn de verschillen in tempo tijdens sommige stukken verbazingwekkend. Het Turkse marsgedeelte in het bekende vierde deel wordt op volledig verschillende manieren gespeeld, iets dat op geen enkele andere manier dan in deze app zo duidelijk wordt.

Buiten de uitvoeringen is er ook een hele resem achtergrondinformatie. Buiten de standaard geschiedenistekst zijn er interviews met hedendaagse musici, componisten en dirigenten die ieder iets vertellen over het stuk. Uiterst vermakelijk wordt het wanneer ze commentaar geven over de uitvoeringen zelf. Vooral koordirigent Simon Halsey is uiterst vermakelijk wanneer hij genadeloos een uitvoering de grond in bliksemt.

Dit is de beste app die Touch Press tot nu toe heeft uitgebracht, alleen maar omwille van de diepte in het stuk dat hierdoor ontdekt kan worden. Het gebruikt alle mogelijkheden van de iPad om nieuwe inzichten te bieden aan de gebruiker, waardoor het stuk op een andere manier kan worden onderzocht dan op ieder ander medium. Natuurlijk kan er altijd meer diepgravende informatie worden getoond, de geschreven achtergrondinformatie is namelijk een beetje karig. Maar het blaast nieuw leven in een muziekstuk dat een beetje stoffig kan dreigen worden door zijn eigen bekendheid. Er blijkt namelijk zoveel meer in te zitten, en dat is wat deze app op een unieke manier laat zien.

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this