Wilhelm Furtwängler en het Berliner Philharmoniker in 1942, gedurende een uitvoering van Wagners Overture uit "Die Meistersinger von Nürnberg".

Wilhelm Furtwängler en het Berliner Philharmoniker in 1942, gedurende een uitvoering van Wagners Overture uit Die Meistersinger von Nürnberg.

Beethoven, Bruckner en Wagner; dat zijn de namen die opvallend vaak op concertprogramma’s van het Berliner Philharmoniker prijkten ten tijde van Hitlers Derde Rijk. De nazi’s waren overduidelijk, maar lang niet altijd consequent, in hun afkeer en voorkeur voor bepaalde muziek. Gek genoeg is het lastig om een componist aan te wijzen die symbool kan staan voor de officiële muzikale smaak van het Derde Rijk. Beter gezegd is het moeilijk iemand te vinden die het muzikale nazi-ideaal wilde vertegenwoordigen en nog in leven was gedurende het regime van Hitler. Arno Breker (beeldhouwer), Adolf Ziegler (schilder) en Albert Speer (architect) zijn allen personen die sterk verbonden zijn met de esthetische principes van Nazi-Duitsland. Voor de muziek van het Derde Rijk moet je echter bijna vijftig jaar terug in de tijd reizen. Hitler had nog niet eens last van snorgroei toen Anton Bruckner kwam te overlijden…

Operette

Dat neemt niet weg dat er een aantal componisten actief waren die wellicht gezien zouden kunnen worden als de eigentijdse erfgenamen van de Germaanse kunsttraditie waarmee de nazi’s dweepten. Bekend is de verheerlijking van de volkscultuur in alle kunsten. Naast zware kost als Bach, met zijn Barokdiscipline en een stamboom “vrij van raciale smetten”, kende de populariteit van de schlager daarom bijvoorbeeld een grote opleving. Tijdens de bijeenkomsten van de verschillende organisaties die na Hitlers Machtergreifung als paddestoelen uit de grond schoten werden er ook diverse liederen en hymnes gezongen. Het moge duidelijk zijn dat dergelijke liederen niet uitblonken in nuance en muzikaal vernuft. Veelzeggend is overigens dat de oorsprong en componist van de melodie van het Horst-Wessel-Lied, de partijhymne van de NSDAP, nog altijd niet bekend zijn. De opzwepende woorden achtte men blijkbaar belangrijker dan de muziek.

Opvallender is echter de nationale liefde voor operette en dan met name de zogenaamde Volksoperetten. Leon Jessels Schwarzwaldmädel, over ontluikende liefde in een pittoresk dorpje in het Zwarte Woud, was een favoriet van zowel Adolf Hitler als Heinrich Himmler. De conservatieve Jessel flirtte met het nazisme in de begindagen, maar moest het uiteindelijk met de dood bekopen vanwege zijn Joodse komaf. Franz Lehár, bekend van Die lustige Witwe, kon wel op de steun rekenen van hooggeplaatste nazi’s en ook Hitler was een groot bewonderaar. Zo ontving hij de Goethe-Medaille en werd zijn muziek regelmatig ingezet voor propagandadoeleinden. Paul Lincke vierde al rond de eeuwwisseling successen met zijn operettes en wist zich daarom verzekerd van de waardering van het regime. Zijn compositie Frau Luna vormde de basis voor een gelijknamige operettefilm, een genre dat wereldwijd en zeker in Duitsland enige populariteit genoot. Het is veelzeggend dat Wiener Blut, een operettefilm naar aanleiding van het werk van Johann Strauss II (maar met name toch diens assistent Adolf Müller Jr.), een van de kassuccessen van de filmindustrie van het Derde Rijk was.

Het is waarschijnlijk dat de Volksoperette na de oorlog te lijden heeft gehad onder de aandacht van het nazisme, al hebben de successtukken van Jessel, Lehár en Lincke heden ten dage weinig aan waardering ingeboet. De opkomst van de musical en Amerikaanse populaire muziek hebben waarschijnlijk meer invloed gehad op de verminderende interesse voor de, plots oubollige, operette gedurende de twintigste eeuw.

Werner Egk en Hans Pfitzner

Hans Pfitzner

Hans Pfitzner

In de Sovjet-Unie van Dmitri Shostakovich en Sergei Prokofiev bestond er een duidelijke definitie van wat ware Sovjetmuziek moest zijn. De anti-formalistische campagne naar aanleiding van de Zhdanov Doctrine in 1948 is een duidelijk voorbeeld van hoe zeer de kunsten doordrongen waren van staatscensuur. Daarnaast was het bewind zo vriendelijk om in niet mis te verstande bewoordingen te communiceren wat dan het antwoord moest zijn op het verfoeide formalisme en werden er zelfs opdrachten verstrekt aan componisten om stukken te schrijven in de officiële Socialistisch Realistische stijl.
Propagandaminister Joseph Goebbels’ Reichsmusikkammer, met Richard Strauss als boegbeeld, is wellicht vergelijkbaar met de Bond van Sovjetcomponisten in de hoedanigheid als gilde voor componisten en musici, maar ook als controleorgaan dat toezag op de naleving van de esthetische dogma’s. Toch zou de geboorte van een ‘Nazi Symfonie’, vergelijkbaar met de vijfde van Shostakovich, in opdracht van de Reichsmusikkammer niet snel het levenslicht gezien hebben; in het Duitsland van Adolf Hitler verheerlijkte men liever de muziek van het verleden.

Twee componisten zijn echter interessant, omdat ze met enig succes opereerden gedurende de opkomst en ondergang van het Derde Rijk.

Hoewel Werner Egk vrijgepleit werd van intensieve samenwerking met het regime gedurende de denazificatie, kon hij desalniettemin rekenen op bovenmatige interesse van hooggeplaatste nazi’s vanaf 1933. Velen beschouwen Egk als een opportunist die zijn Stravinskiaanse stijl plots vergat en zijn succesopera Die Zaubergeige doorspekte met Beierse volksmelodieën, daarmee bewust inspelend op het nazi-ideaal van völkische Kultur. De vermeende knieval legde Egk geen windeieren. Goebbels sprak over hem als een “waardige opvolger van Wagner” en de opdracht voor balletmuziek voor de Olympische Spelen in 1936 was een direct gevolg van de waardering voor Die Zaubergeige. Na verdere successen kreeg Egk zelfs 10.000 Reichsmark om een opera te componeren met nazistische thematiek. De opera kwam er nooit, maar de componist genoot desondanks immer de bescherming van het Naziregime. Egk kwam bijvoorbeeld samen met drie collega’s1 voor op Goebbels’ en Hitlers Gottbegnadeten-Liste, opgesteld in 1944. De lijst bevatte alle kunstenaars die men essentieel achtte voor het voortbestaan van de cultuur van het Derde Rijk en waren daarom uitgezonderd van militaire dienst. Na de Tweede Wereldoorlog had de carrière van Werner Egk geenszins te lijden onder zijn eerdere populariteit in Nazi-Duitsland. Egk bekleedde meerdere belangrijke posities in het naoorlogse Duitse muziekleven en staat nu voornamelijk bekend als een culturele spil in de wederopbouw.

De anti-modernist Hans Pfitzner was een uitgelezen kandidaat om componist van de nazi’s te worden, ware het niet dat zijn karakter en achternaam hem uiteindelijk te parten speelden. Pfitzner beleefde op achtenveertigjarige leeftijd zijn eerste grote succes met de opera Palestrina in 1917 en wist de populariteit van dit werk nooit meer te evenaren. De toch al kribbige componist verzuurde in de opvolgende jaren dusdanig en trok fel van leer tegen de ‘vervuiling’ van de Duitse cultuur. De Weimarrepubliek en de bijbehorende ‘culturele decadentie’ waren volgens Pfitzner bovenal het resultaat van een Joods complot. Het mag geen verrassing heten dat een componist met dergelijke denkbeelden de interesse wekte van de nazi’s. Zo raakte hij al snel bevriend met Hans Frank, de persoonlijke advocaat van Hitler, die hem in contact bracht met verschillende hooggeplaatste leden in de partij.
Al snel vormde Pfitzners antisemitisme echter een probleem, omdat hij verre van consequent was in zijn Jodenhaat. Zo werkte hij veelvuldig samen met de Joodse dirigent Bruno Walter en weigerde muziek te schrijven voor A Midsummer Night’s Dream ter vervanging van Mendelssohns partituur, die hij perfect achtte. Na een desastreus verlopen ontmoeting met Hitler in 1923, waar hij het waagde de Führer tegen te spreken, was zijn verdere lot eigenlijk bezegeld. Pfitzner probeerde vanaf 1933 meerdere malen bij te dragen aan de culturele activiteiten van de nazi’s, maar werd hierin systematisch tegengewerkt door diverse partijfunctionarissen. Bij Hitler was zelfs de indruk ontstaan dat de componist half-Joods was, op basis van diens achternaam, hetgeen een carrière nog verder bemoeilijkte. In 1934 stuurde men hem gedwongen met pensioen, waarna Pfitzner nog naam probeerde te maken binnen de lagere echelons van de nazipartij en als dirigent in de door Duitsland bezette gebieden.
Een gedesillusioneerde, bejaarde Pfitzner werd na de oorlog onschuldig bevonden tijdens de denazificatieprocessen en stierf berooid in een bejaardentehuis in 1949.

Hans Pfitzner was misschien wel een van de weinige componisten van enig kaliber die het Naziregime vrijwillig en met overgave van dienst wilde zijn. Toch plakte men plakte de titel van hofcomponist van het Derde Rijk uiteindelijk liever op een van die ‘Grote Germanen’ uit het verleden; Johann, Ludwig en Richard.

  1. Naast Carl Orff en Richard Strauss, stond Hans Pfitzner ook op de lijst, ondanks alles.

Titel: Zomergasten - Reinbert de Leeuw
Regisseur: Peter van Ingen
Jaar: 2014
Omroep: VPRO
Waardering:

Zomergasten - Reinbert de LeeuwZomergast Reinbert de Leeuw (componist, pianist en dirigent) bekende bij aanvang van het programma groot en kritisch liefhebber te zijn van het concept Zomergasten. Zijn ideale aflevering was er een met een duidelijke rode lijn. In het geval van De Leeuw laat die rode lijn zich het best beschrijven als een drie uur durende kroniek van (muzikale) grensverleggers.

De Leeuw toonde zich een bevlogen verteller over muziek, maar het was duidelijk dat hij nauwelijks wilde praten over zijn persoonlijke leven. Er waren natuurlijk enige terloopse, biografische noten in een voornamelijk muziekhistorische vertelling, maar de dagelijkse werkelijkheid (politiek, biografisch, of anderszins) werd zoveel mogelijk buiten de deur gehouden. Op enig moment kwam echter de gewraakte biografie van De Leeuw door Thea Derks ter sprake en op dat moment wist presentator Wilfried de Jong toch enig persoonlijk commentaar te ontfutselen. Het volstaat te zeggen dat Reinbert de Leeuw geenszins gelukkig is met het boek en zich zelfs verraden voelt door de auteur.
Een fragment uit de documentaire Imperfect Harmony, over vriend Louis Andriessen, ontlokte bij De Leeuw vrij bittere (en terechte) kritiek op het Concertgebouworkest. De arrogante houding van het Concertgebouworkest ten opzichte van Andriessens muziek, geïllustreerd door beelden van schamperende orkestleden en de weinig gemotiveerde dirigent Mariss Jansons, staat haaks op de visie van De Leeuw op het kunstenaarschap. De musicus is in zijn visie een dienstbare interpretator, die nimmer ijdeltuiterig de componist en zijn muziek in de weg moet gaan staan. De dirigent? Een overschat beroep…

De schalkse vraag van De Jong over verliefdheid (was De Leeuw soms een beetje verkikkerd geraakt op goede vriendin Barbara Sukowa?) werd door De Leeuw vrij snel en een beetje korzelig weggewuifd. Het onderwerp ouderdom (De Leeuw is 75), naar aanleiding van beelden van een dementerende Misha Mengelberg, maakte hem vooral zeer ongemakkelijk. Muziekliefhebber Wilfried de Jong drukte nergens in zijn interview te hard door. De ongemakkelijke vragen werden veelal als plaagstoot gebracht en daarom was het voor de bescheiden De Leeuw eenvoudig om deze te deflecteren en het gesprek te sturen naar de verhalen over zijn muzikale helden.

De avond was voor de grensverleggers die de taal van de muziek openbraken in de loop van de twintigste eeuw (Arnold Schoenberg, John Cage), of magistrale vertolkers die De Leeuws ideaal van de dienstbare artiest ten volle omarmden (Sviatoslav Richter, Elsie de Brauw). Aan de hand van Stravinsky’s Le Sacre du Printemps en Schoenbergs tweede strijkkwartet analyseerde De Leeuw op scherpe wijze de bevrijdende werking van de muzikale ideeën vanaf de vorige eeuwwisseling.
Bij aanvang van het programma merkte De Leeuw op dat hij nogal had moeten snijden in het door hem gekozen materiaal, dus was er helaas niet genoeg tijd om voor ieder onderwerp ook beeld en geluid te presenteren. Om die reden moesten Charles Ives, die De Leeuw bevrijdde van de verlammende werking van het strenge serialisme en Franz Liszts Via crucis (een obsessie van dertig jaar) het doen met een eervolle vermelding. Daar stond dan wel weer prachtig beeld van Olivier Messiaen tegenover die met zijn vrouw vogelgezang verzamelde in het bos, of het portret van Galina Ustvolskaya, componiste van een desolate klankwereld die bij uitvoering fysieke pijn teweegbrengt bij de muzikant.

Na drie uur lang heerlijke, elitaire cultuur – van het soort waar in Nederland een vocale meerderheid graag zijn gal over mag spuien – eindigde Reinbert de Leeuw treffend met een publieksfavoriet; Erbarme dich, mein Gott uit Bachs Matthäus-Passion. “Hors concours”, aldus De Leeuw die daarna zichtbaar geëmotioneerd het glas hief met Wilfried de Jong.

De volledige aflevering van Reinbert de Leeuw in Zomergasten is te bekijken via Uitzending Gemist.

20140413-174716.jpgLeipzig heeft een imposante muzikale historie, met Johann Sebastian Bach en Felix Mendelssohn-Bartholdy als bekendste burgers. In de tijd van Bach was het stadsbestuur wellicht niet al te blij met haar musici, maar tegenwoordig profileert Leipzig zich trots als muziekstad. Zo is er het Leipziger Notenspur, een wandeltocht voor muziekliefhebbers langs alle belangrijke muzikale plaatsen in de stad.

Met zijn vele bouwputten en een wat ongezonde voorliefde voor brede autowegen heeft Leipzig wel wat gemeen met Rotterdam. Een aantal historische locaties, zoals de plek waar Clara Schumann geboren werd, zijn verloren gegaan in de bombardementen gedurende de Tweede Wereldoorlog, nog een overeenkomst met Rotterdam.

Bach Museum

Thomaskirchhof 15
20140413-173115.jpgHet Bach Museum ligt tegenover de Thomaskirche en de permanente tentoonstelling geeft een mooi overzicht van Bachs leven. Uiteraard is er een collectie manuscripten te zien in Bachs karakteristieke handschrift, maar de missie van het museum is breder dan alleen het verzamelen van Bach-parafernalia. Op de tweede verdieping van het gebouw kan de bezoeker bijvoorbeeld de samenstelling van een Barokorkest kan ervaren en er is eveneens een plek om te grasduinen in het muziekarchief en te luisteren naar composities van Bach.

Gewandhaus zu Leipzig

Augustusplatz 8
In het Gewandhaus werd vandaag een Musik Fest gehouden waar kinderen en volwassenen kennis kunnen maken met muziek en muziekinstrumenten. Helaas was het niet mogelijk om een concert te bezoeken, aangezien de akoestiek van de zalen in het nogal onooglijke gebouw uitmuntend zou zijn, om nog maar te zwijgen over de hoge kwaliteit van het Gewandhaus Orchester.

Mendelssohn-Haus

Goldschmidtstraße 12
20140413-180611.jpgMendelssohn woonde in een aantal prachtige vertrekken aan de Goldschmidtstraße net buiten het centrum van de stad. Het gebouw is nu een museum dat in het teken staat van Mendelssohn als componist en als muzikale sleutelfiguur in de stad. Leipzig heeft veel te danken aan Mendelssohn, zonder hem zou het Gewandhaus Orchester bijvoorbeeld niet het instituut zijn dat het nu is.
Het museum is uitstekend. De benedenvloer is een plek waar bezoekers het oeuvre van de componist kunnen beluisteren en bestuderen. Tevens is er een installatie waar de bezoeker zelf belangrijke werken van Mendelssohn kan “dirigeren”. De techniek liet het concept enigszins in de steek (met name de sensor die het zwaaien van de dirigeerstok moest volgen), maar de investering die het museum in nieuwe presentatietechniek mag bewonderenswaardig genoemd worden. De mooi gerestaureerde bovenverdieping van het gebouw is een reconstructie van hoe Mendelssohn geleefd en gewerkt heeft in de laatste jaren van zijn korte leven.

Schumann-Haus

Inselstraße 18
20140413-182621.jpgHet huis waar Robert Schumann en zijn kersverse vrouw Clara direct na hun huwelijk introkken ligt aan de Inselstraße, in een rustig deel van Leipzig. Het kleine museum is helaas vooral ingesteld op Duitssprekende bezoekers en heeft niet zo’n grote collectie. De pianoforte van Friedrich Wieck – de vader van Clara – is te zien, maar het merendeel van het leven van de Schumanns wordt uit de doeken gedaan middels foto’s en reproducties van originele objecten. Toch is het goed dat het museum bestaat, zeker gezien de erbarmelijke staat van de appartementen voor de restauratie door het Robert und Clara Schumann Verein.

Morgen naar Weimar!

Concert: Paul Lewis – Bach, Beethoven, Liszt & Moessorgski
Datum: 15 januari 2014
Uitvoerende(n): Paul Lewis
Locatie: deSingel, Antwerpen
Waardering:

Paul LewisEen optreden van Paul Lewis wordt over het algemeen gekenmerkt door een verfrissend gebrek aan opsmuk. Het lijkt wel alsof Lewis gedurende de uitoefening van zijn kunst zo min mogelijk gestoord wil worden door applaus of zelfs het bestaan van het publiek. In deSingel wist hij dit te bewerkstelligen door grote delen van zijn concertprogramma naadloos in elkaar te laten overvloeien, waarbij korte stukken van Bach (in bewerking van Busoni) en Liszt als verbindende elementen werden ingezet.

Het prachtige, soepele spel van Lewis kwam mooi tot zijn recht in de beide pianosonates van Beethoven (Nr. 13 en 14, Op. 27), met elkaar verbonden door orgeltranscripties van Bachs koraalpreludes Ich ruf’ zu dir, Herr Jesu Christ en Nun komm’ der Heiden Heiland.
Beethovens Mondschein-Sonate mag dan deels tot een cliché in de pianoliteratuur zijn verworden, met Lewis achter de piano bleef zelfs het openingsdeel een onderhoudende aangelegenheid. Zijn spel in het afsluitende Presto agitato van dezelfde sonate en de nummer dertien, Quasi una Fantasia, gaven blijk van een fenomenale precisie en controle, waarbij een klare lijn de boventoon voerde en een vertroebeling van harmonieën – nog wel eens aanwezig bij pianisten door overmatig gebruik van het pedaal – vermeden werd.

Na de pauze kwamen de laat-negentiende-eeuwse werken van Franz Liszt en Modest Moessorgski aan bod. Van Liszt speelde hij de atypische miniaturen Schlaflos! Frage und Antwort, Unstern: sinistre, disastro en Richard Wagner – Venezia, die het eerste bewijs vormden dat Lewis niet alleen thuis is in de muziek van Bach, Beethoven of Schubert, maar ook met het modernistischere idioom van Liszt uit de voeten kan. Mocht de indruk bestaan dat de Lewis een ingetogen een in zichzelf gekeerde podiumpersoonlijkheid is, dan bewijzen zijn vertolkingen van zowel Moessorgski als Liszt dat hij ook het theatrale, pianistische gebaar beheerst, als de muziek er om vraagt, tenminste.

Het duurt even voordat Moessorgskis Schilderijententoonstelling zich ten volle bloot geeft, maar als het Promenade-thema zich eenmaal als leitmotif in het brein van de luisteraar heeft verankerd is het werk een buitengewone werveling van sferen en indrukken. Lewis zette een fonkelende en zelfverzekerde interpretatie van het werk neer, van de groteske ganzenpas in Gnomus tot de subtiele, tinkelende accenten in Cum mortuis in lingua mortua.

Na de klankexplosie in de climax De grote poort van Kiev staat onomstotelijk vast dat Paul Lewis tot de wereldklasse van pianisten mag worden beschouwd.

Concert: Artemis Quartett – Haydn, Bartók & Schubert
Datum: 10 december 2013
Uitvoerende(n): Artemis Quartett
Locatie: de Doelen, Rotterdam
Waardering:

Foto: Molina Visuals

Foto: Molina Visuals

Het Artemis Quartett stond vorig jaar in Vlaanderen op de planken met een programma dat gelijkenissen vertoonde met dat van gisteren. Op beide avonden werd de opening gevormd door twee werken, met het vijftiende strijkkwartet (D.887) van Franz Schubert als afsluiter na de pauze.

Het tweede strijkkwartet Op. 20 van Franz Joseph Haydn kwam als eerste aan bod, een werk uit de groep va zes kwartetten die hem de bijnaam “vader van het strijkkwartet” opleverde. Dankzij het subtiele en gepassioneerde spel, duidelijk merkbaar in het prachtige Adagio, van het Artemis werd Haydn’s strijkkwartet een van de hoogtepunten van de avond. De wervelende, fugatische finale van de compositie leverde zelfs bijna de eerste ovatie van de avond op, we waren tenslotte weer in Nederland…

De invloed van Béla Bartók op de ontwikkeling van het strijkkwartet is misschien wel net zo groot geweest als die van Haydn, zeker waar het gaat om de toepassing van technieken als sul ponticello (dicht op de kam van het instrument spelen), Bartókpizzicato of glissandi waar Haydn zijn wenkbrauwen ongelovig voor zou ophalen. De woorden “stekelig” of “hoekig” vallen wel eens als het om de muziek van Bartók gaat en die zijn ook in zijn vijfde strijkkwartet. Het Artemis Quartett speelde deze muzikale caleidoscoop met verve, van de karakteristieke, stemmige nachtmuziek-passages tot de complexe ritmiek in het Scherzo en de humoristische kwinkslagen die door het stuk verspreid zijn.

Zoals eerder vermeld speelde het Artemis Quartett hetzelfde kwartet van Schubert al eerder tijdens een indrukwekkend concert in het seizoen 2012-2013. Ook in dit werk weer mooi spel en een duidelijk begrip voor de muzikale ideeënwereld van de componist. Het kan zijn dat de herinnering aan het eerdere concert de beoordeling wat vertroebelde, maar sommige passages kwamen wat routineus over en daardoor wist het werk niet altijd de volledige aandacht op te eisen.

Uiteraard “oveerde” de zaal een mooie toegift in de vorm van een Prelude uit Das wohltemperierte Klavier bij elkaar, waarin het fijnzinnige spel van het Artemis Quartett nog eenmaal te horen was.

Busoni is een muzikale vernieuwer die desondanks een vrij obscure rol inneemt in de muziekgeschiedenis. Met de groeiende herwaardering van de pianotranscriptie, de Doelen wijdt er dit seizoen zelfs een concertserie aan, komt ook de naam Ferruccio Busoni vaker te sprake, aangezien hij een imposant aantal transcripties op zijn naam heeft staan. Maar als componist van originele werken is Busoni ook zeer de moeite waard, natuurlijk zijn megalomane eerbetoon aan Bach, de Fantasia contrappuntistica, maar ook de zes Elegiën waar hij zich van een moderner idioom bedient. Voor de liefhebbers van orkestraal werk is er onder meer een vioolconcert of de ooit populaire Turandot Suite en zelfs opera-afficiandos kunnen hun hart ophalen aan niet minder dan vier opera’s.

Busoni’s pianoconcert bevat voor elk wat wils, behalve voor de mensen die niets van allesverzwelgende overdaad moeten hebben. Het concert is een samenballing van stijlen, muzikale structuren en voornamelijk een viering van het Romantische muzikale ideaal – of scherpe satire, daar worden de experts het maar niet over eens. Zo staat het derde deel, Pezzo serioso, bol van de referenties aan een nocturne van Chopin en de orkestratie van het geheel stuitert stilistisch even makkelijk van Beethoven naar Wagner. Buitensporigheid en gretige overdrijving staan centraal in het concert dat, ondanks de meditatieve openingsmaten, het meest lijkt op een strijd tussen de piano en het orkest. Het is om die reden dat pianisten het concert vaak links laten liggen. Het werk van meer dan een uur is een fysieke uitputtingsslag, ondanks de vele rustmomenten waarop het orkest alleen te horen is.
Een andere reden waarom het werk niet vaak te horen is heeft te maken met de totale omvang van het orkest en de verrassing in het laatste deel, Cantico, waar een mannenkoor een loflied aan Allah aanheft, toongezet op een Duitse tekst van de Romantische Deense dichter Adam Oehlenschläger.1

Het werk mag dan weinig op concertprogramma’s staan, maar gelukkig is het wel door een aantal dappere pianisten opgenomen. Helaas niet door Busoni zelf, tijdens zijn twee opnamesessies van 1919 en 1929 in de studio’s van Columbia Records in Londen, al verzorgde hij wel de première van het concert in 1904. Recenter zijn er opnames gemaakt door bijvoorbeeld Garrick Ohlsson en de immer avontuurlijke Marc-André Hamelin en wijlen John Ogdon.

De verdiensten van Ferruccio Busoni worden maar al te makkelijk af gedaan als obligaat “virtuozenvuurwerk”. Maar net zoals bij Liszt, die men vaak van hetzelfde beschuldigt, gaat het Busoni om meer dan alleen halsbrekende capriolen. De componist zelf zag het werk bijvoorbeeld niet als een bizar pianoconcert, maar als een grootschalig symfonisch werk met piano obbligato,2 zijn Italiaanse Symfonie.

Marc-André Hamelin vat het mooi samen in een gesprek over Busoni’s concert met muziekcriticus Alex Ross:

However — and needless to say — even a complete mastery of the pianistic problems is meaningless if you remain unaware of the loftiness of Busoni’s aims. I’ve said in print recently that treating something like the Liszt Sonata as a purely virtuosic exercise — something that is all-too-often a reality these days — is a little bit like tearing a page off a Gutenberg bible and using it to wrap carrot peels.

  1. Niet dat Busoni aanhanger was van het Islamitische geloof, of iets dergelijks, maar hij was ten tijde van het schrijven van het concert gefascineerd door de tekst van Oehlenschläger, Aladdin oder die Wunderlampe. Dramatisches Gedicht in zwei Spielen, en besloot daarom om de afsluitende, mystieke koorpassages erop te baseren.
  2. Wellicht ook een bewust ingezet stijlmiddel uit de tijd van de door hem veelvuldig geciteerde componisten.

Titel: How Music Works
Auteur(s):
Jaar: 2012
Uitgever: Canongate
Waardering:

how-music-worksDavid Byrne begrijpt de muziek van Bach, Mozart en Beethoven niet. Dat feit staat hem echter niet in de weg om in zijn boek How Music Works regelmatig verstandige dingen over muziek te poneren, noch belemmert het zijn waardering voor klassieke muziek – John Cage komt bijvoorbeeld regelmatig ter sprake. In tien hoofdstukken behandelt de voormalig frontman van Talking Heads het muzikale landschap, van de zakelijke kanten tot en met de invloed van een concertzaal op de daar gespeelde muziek.

Met name de hoofdstukken over de invloed van de twintigste eeuwse technologie op de menselijke perceptie van muziek en musiceren in een studio zijn interessant. In de analyse omtrent opnames in de studio put Byrne vooral uit zijn eigen ervaringen, zoals de samenwerking met Brian Eno voor het onnavolgbare album My Life in the Bush of Ghosts. Er moet wel gezegd worden dat Byrne in dergelijke passages waarschijnlijk zwaar leunt op de door hem geciteerde bronnen. How Music Works is daarom bovenal een introductie tot de verschillende aspecten van de muziekwereld en Byrne pretendeert ook nergens dat hij meer wil doen dan een rondgang langs de muzikale elementen die hem persoonlijke fascineren. Wat minder geslaagd zijn de politiek getinte terzijdes en het hoofdstuk over samenwerkingen, omdat het voornamelijk over Byrne’s muzikale collaboraties gaat niet zozeer om samenspel tussen muzikanten. Het boek is geschreven in de voor Byrne kenmerkende, informele “praterige” stijl en daarom lezen zelfs de mindere passages bijzonder makkelijk.

Voor lezers die helemaal niets met de persoon David Byrne of zijn werk hebben is de pennenvrucht van Byrne wellicht een stuk minder geschikt. Hoewel hij vaak put uit zijn eigen ervaringen in de muziekwereld is How Music Works niet autobiografisch, verwacht dus geen sappige verhalen over de opheffing van Talking Heads of een onvertogen woord richting oud-collega Tina Weymouth. Persoonlijker dan een uiteenzetting over hoe Byrne zijn teksten schrijft of wat zijn overwegingen waren om een indertijd overmaats maatpak te dragen wordt het niet, niettemin boeiende materie.

Byrne is gelukkig geen mastodont die al veertig jaar hetzelfde kunstje doet en nog altijd teert op de muzikale successen uit de jaren tachtig. Zijn kijk op de muziekwereld wordt eveneens geïnformeerd door de hedendaagse ontwikkelingen, dus geen alarmerende verhalen over de MP3 als het symbool van het morele verval van de muziek en zelfs Rihanna wordt in positieve zin door Byrne aangehaald. Over de wereld van de klassieke muziek is Byrne in een van de latere hoofdstukken minder positief, al laakt hij daar voornamelijk het idee dat alleen klassieke muziek een soort tegengif tegen maatschappelijk verval kan zijn en de geldstroom die enkel voor het verhogen van de status door industriëlen in bijvoorbeeld verliesgevende operaproducties worden gepompt.

Een van de dingen die na het lezen van het boek beklijft is het optimisme van Byrne. In het slot van het boek haalt de auteur de uitvinding van Buddha Machine aan, een draagbaar apparaat dat automatisch muziek genereert op basis van negen beschikbare tonen. Zelfs het vooruitzicht van machinaal geproduceerde muziek zonder tussenkomst van een componist vervult David Byrne niet van angst, hij ziet vooral mogelijkheden. Het is dat gebrek aan angst in combinatie met een dosis positiviteit en verwondering die How Music Works tot een intrigerend boekwerk maken.

De Sarabande uit de tweede Cello Suite in d mineur van Johann Sebastian Bach had een speciale betekenis voor cellist Mstislav Rostropovich. Hij speelde het stuk als toegift na afloop van een concert in Engeland op 21 augustus 1968 toen op dat moment de Russen Tsjecho-Slowakije binnen vielen om een gewelddadig einde te maken aan de Praagse Lente. Hij zei de compositie op te dragen aan eenieder die bedroefd was. Hoezeer Rostropovich dit meende blijkt uit onderstaand verhaal van de Japanse dirigent Seiji Ozawa.

In 1989 overleed het pasgeboren dochtertje van sumoworstelaar Chiyonofuji Mitsugu, een vriend van Rostropovich die liefhebber was van de Japanse worstelsport. Zodra de cellist het tragische nieuws hoorde nam hij het vliegtuig en vloog, slechts bepakt met zijn cello, naar Narita in Japan. Vanaf het vliegveld aldaar volgde een taxirit van 1,5 uur naar het huis van Chiyonofuji. Daar aangekomen speelde hij enkel de Sarabande ter nagedachtenis aan het meisje en nam daarna dezelfde taxi terug naar het vliegveld om terug te keren naar Europa.

Titel: Het Ware Leven van Johann Sebastian Bach
Auteur(s):
Jaar: 2000
Uitgever: Open Domein, De Arbeiderspers
Waardering:

eidam-bachIn 2000 was het 250 jaar geleden dat J.S. Bach overleed. Het is dan ook weinig opzienbarend dat er een kleine opleving ontstond in de publicatie van biografisch werk over de persoon Bach. Het boek “Het Ware Leven van Johann Sebastian Bach”, geschreven door theatermaker Klaus Eidam, is een van de titels die toentertijd verscheen. Eidam is tevens als scenarist verantwoordelijk voor een miniserie over het leven van Bach uit 1985. De man is dus geen musicoloog, iets dat niet automatisch een probleem hoeft op te leveren bij het schrijven over muziek, ware het niet dat hij zijn enthousiaste dilettantisme bijna ieder hoofdstuk zeer scherp tegenover de gevestigde Bach-kenners in stelling brengt.

Het dedain waarmee Eidam regelmatig zijn collega’s op hun plaats meent te moeten zetten is het grootste zwaktepunt van het boek. De auteur beroept zich regelmatig op eigen onderzoek in diverse archieven en sommige van zijn ontdekkingen – die het gevestigde beeld van Bach op losse schroeven zetten – zouden zelfs opzienbarend genoemd kunnen worden, maar eveneens lastig te verifiëren aangezien het boek een wetenschappelijk bronvermelding mist.
Eidam tracht bijvoorbeeld, met behulp van officiële documenten uit de tijd van Bach, de omgang van de stadsraad van Leipzig met de componist kritischer te benaderen, deels om de mythe van Bach als “moeilijk persoon” te ontkrachten. Helaas verpakt Eidam dergelijke ontdekkingen te gretig in schimpscheuten richting grote namen als Philipp Spitta en Albert Schweitzer, ook al publiceerden zij respectievelijk in 1873 en 1905 hun Bach biografie. In de eerste hoofdstukken is het nog lichtelijk amusant om Eidam zo fel en ietwat sikkeneurig van leer te zien trekken tegen Bach-kenners, maar het wordt snel vermoeiend, zeker als dergelijke monologen pagina’s in beslag nemen en het puur biografische gedeelte in de weg gaan zitten.

Een ander voornaam punt van kritiek is de behandeling van Bach als persoon. Na het lezen van de biografie blijft er geen echt beeld hangen van wie Bach nu eigenlijk als persoon was. In zijn biografie over Beethoven slaagt Maynard Solomon hier bijvoorbeeld wel in, ondanks wat onnodig gepsychologiseer. Solomon heeft natuurlijk wel het voordeel dat zijn biografisch onderwerp leefde in een tijd waarin egodocumenten meer gemeengoed waren en ook de conversatieboeken die Beethoven in zijn levensfase van vergaande doofheid bijhield geven een bijzonder beeld van de componist – ondanks alle misplaatste opkuiswerkzaamheden van Anton Schindler.

De relatieve overvloedigheid van biografisch materiaal in het geval van Beethoven is veel minder aan de orde bij J.S. Bach en werkt wellicht nadelig in het scheppen van een persoonlijk beeld van de componist. Natuurlijk waagt Eidam zich aan een karakterschets en beschrijft hij getrouw de vele gebeurtenissen die de componist zijn overkomen. Wat echter beklijft is meer een Bach als “onbeschreven blad” onderhevig aan allerhande sturende (voornamelijk negatieve) invloeden van buitenaf – de stadsraad van Leipzig, Johann August Ernesti, de kerk, de vrouw van de Prins Leopold van Anhalt-Köthen, etc.
Voor Klaus Eidam lijkt het leven van Johann Sebastian Bach vooral te bestaan uit de Moedige Overlevingstrijd van zijn Bescheiden Held tegen de Machinaties van de Gevestigde Orde1. De vraag blijft echter of het leven van Bach een dergelijke invulling nodig heeft.

  1. Jazeker, met Heroïsche Hoofdletters.