Grafmonument Franz LisztDe charme van Bayreuth is niet meteen merkbaar na aankomst per trein. Om het historische stadscentrum loopt een drukke ringweg waaraan niet de meest florissant ogende gebouwen gelegen zijn. Wel is in de verte het dak van het Festspielhaus zichtbaar, Wagners ietwat megalomane operahuis, dat enkele kilometers buiten de stad ligt.
Eenmaal aangekomen in de binnenstad herinneren de historische gebouwen aan de lange historie van Bayreuth, waaronder de twee stadspaleizen (Altes en Neues Schloss). Naast het obligate Wagner eerbetoon is er opvallend veel aandacht voor een andere held, wederom uit de literatuur, de Romantische schrijver Jean Paul. Verder hebben de pianobouwers Steingraeber & Söhne hun hoofdkantoor in Bayreuth. De Steingraebers deden in het verleden zaken met zowel Franz Liszt als Richard Wagner en de organisatie van de Bayreuther Festspiele.

Stadtfriedhof

Erlanger Straße
Graf van LisztHet rustige stadskerkhof is het oudste van de stad en is tevens de plek waar een aantal beroemde personen hun laatste rustplaats kennen. De bekendste is uiteraard Franz Liszt, wiens grafmonument een vrij centrale plek heeft op het kerkhof. Niet ver van Liszts rustplaats is het familiegraf van de Wagners, waar Siegfried en Winifred Wagner liggen, maar ook hun kinderen – waaronder Wolfgang en Wieland. Eigenlijk is een flink deel van het kerkhof gereserveerd voor familie en vrienden van de Wagners, waaronder de Klindworths, Eva Chamberlain en Daniela von Bülow (Cosima Wagners dochter met Hans von Bülow).

Villa Wahnfried

Wahnfriedstraße 2
Villa WahnfriedWahnfried, de villa waar de familie Wagner jaren in verbleef is sinds 2013 gesloten wegens grote renovatiewerkzaamheden en verbouwing. Dat is jammer, want het Richard Wagner Museum dat gevestigd is in de villa schijnt zeer de moeite waard te zijn. Het graf waar Richard en Cosima liggen aan de achterzijde van het huis is wel bereikbaar. Gezien alle uiterlijke weelde van Wahnfried en het mooie stadspark achter het huis is het graf gek genoeg een bijzonder ingetogen plek. Eigenlijk is het niet meer dan een grote molshoop met een ongemarkeerde plak natuursteen er bovenop. Ook een bepaalde uitspraak natuurlijk; de rustplaats van de Meester behoeft geen verdere introductie, of iets dergelijks.

Liszt Museum

Wahnfriedstraße 9
Liszt MuseumHet museum dat op een steenworp afstand van Wahnfried ligt is tevens het huis waar Liszt is gestorven. De permanente tentoonstelling omvat slechts een vijftal kamers en bestaat met name uit reproducties van belangrijke documenten uit het leven van Liszt en vele portretten van hemzelf en belangrijke familie, vrienden en kennissen. Ondanks de beperkte aanwezigheid van originele stukken (de sandalen van Franz zijn in ieder geval wel aanwezig) is het museum toch de moeite waard voor de liefhebber, zeker als die voor een gesloten deur stond bij het gelijkaardige museum in Weimar.

Bayreuther Festspielhaus

Festspielhügel 1
Bayreuther FestspielhausNet als Wahnfried staat ook het Festspielhaus aan de buitenzijde in de steigers, gelukkig worden er desondanks nog wel rondleidingen gegeven. Iemand die het werk van Wagner niet bovenmatig kan waarderen moet toch zeker een bezoek aan het theater niet overslaan. In het rustige park dat rond het gebouw is aangelegd is het in de lentezon bijvoorbeeld prettig vertoeven. Maar ook de rondleiding in Wagners theater is een ervaring op zich. Het gigantische podium, de imposante architectuur, de krappe orkestbak die is verscholen voor het publiek en de beruchte, uiterst comfortabele houten klapstoelen die sinds dit jaar extra bekleding hebben ter bescherming van het tere zitvlees van de operabezoeker. Alle elementen tezamen maken van het Festspielhaus een ervaring waar je toch enigszins van onder de indruk raakt.

En hiermee is onze reis door Leipzig, Weimar en Bayreuth ten einde. Morgenvroeg volgt alleen nog een lange treinreis van meer dan tien uur terug naar Rotterdam. Een ding is in ieder geval duidelijk: wat moeten de reizen van Franz Liszt (die met regelmaat delen van dezelfde route aflegde) een vermoeiende aangelegenheid zijn geweest. Onze rondreis was in ieder geval de moeite meer dan waard.

Titel: Franz Liszt: The Final Years, 1861 - 1886
Auteur(s):
Jaar: 1997
Uitgever: Cornell University Press
Waardering:

franz-liszt-the-final-years“The Final Years” vormt de conclusie van Alan Walkers driedelige biografie van Franz Liszt, eerder verschenen mijn recensies van het eerste en tweede deel.

Dat Franz Liszt de laatste jaren van zijn leven niet op zijn lauweren is gaan rusten mag geen verrassing heten. Het etiket “turbulent” dat de eerdere fases uit het leven van Liszt adequaat omvat is ook zeker van toepassing waar het de nadagen van de man betreft. Na het vertrek uit Weimar vestigt de componist zich in Rome, waar zijn levensgezellin prinses Carolyne zu Sayn-Wittgenstein inmiddels ook verblijft en verwikkeld is in onderhandelingen met de Rooms-katholieke kerk over het verkrijgen van toestemming voor een huwelijk tussen haar en Liszt.

Rome is een van de drie steden die samen met Weimar en Budapest de “drie-eenheid” vormen waar Liszt in de laatste twintig jaar van zijn leven jaarlijks achtereenvolgens naar afreist. Het verblijf in Weimar en Budapest staat voornamelijk in het teken van doceren, respectievelijk aan huis en aan het conservatorium. De opzet van veel van Liszts lessen in die tijd doet Walker concluderen dat hij de uitvinder van de moderne “master class” is. Rome lijkt vooral een retraite waar hij in alle rust kan componeren, Walkers beschrijving van Liszts regelmatige verblijf in Villa d’Este is in dit geval exemplarisch.

Er is in dit deel van de biografie diepgaande aandacht voor de positieve kanten uit het leven van Liszt, zoals zijn wijding als abbé en de groeiende waardering voor zijn persoon (bijvoorbeeld in Weimar) en zijn activiteiten als componist en symfonist in het bijzonder. Toch staat verhaal van Walker voornamelijk in het teken van de vele tegenslagen die Liszt op latere leeftijd kreeg te verwerken en hoe deze feiten Liszt soms als componist vormden. Revolutionaire composities als “Nuages gris” en “La lugubre gondola” zijn volgens Walker deels terug te voeren op Liszts emotionele gesteldheid in die jaren. Het uitblijven van zijn huwelijk met Carolyne zu Sayn-Wittgenstein door de politieke machinaties van de schoonfamilie Hohenlohe en de dood van zijn dochter Blandine krijgen van de auteur de aparte hoofdstukken die dergelijke gebeurtenissen verdienen, maar veruit de meeste aandacht gaat uit naar de onfortuinlijke driehoeksverhouding tussen Cosima von Bülow-Liszt, Hans von Bülow en Richard Wagner.

Het verhaal rond de affaire tussen Wagner en Von Bülow heeft in de nauwgezet beschreven versie van Walker niets ingeboet aan dramatiek en het is niet moeilijk voor te stellen dat de kwestie en de nasleep diepe emotionele sporen hebben nagelaten bij Liszt.
Opvallend is overigens de behandeling van de persoon Richard Wagner. Het is niet dat Walker bijzonder negatief is over de Meester van Bayreuth, maar de door hem aangehaalde bronnen schetsen het beeld van een obstinaat en egocentrisch heethoofd – waarschijnlijk niet ver bezijden de waarheid. Zo zeurt Wagner regelmatig bij Liszt om geld om vervolgens, na nul op het rekest te hebben gekregen, bijzonder onaangenaam van leer trekken tegen zijn weldoener en toekomstige schoonvader. Franz Liszt, ook niet zonder nukken of van onbesproken gedrag (bijvoorbeeld zijn affaire met Agnes Street-Klindworth), kan op veel meer verdediging van Walker rekenen, in lijn met diens verlangen naar correctie van het onevenwichtige beeld dat van Liszt is ontstaan na zijn dood.

Ook in dit deel maakt Alan Walker enkele historische contextualisaties. De uitweidingen over politieke machinaties binnen de Rooms-katholieke kerk – met kardinaal Gustav Hohenlohe als lijdend voorwerp – zijn geslaagder dan de uiteenzetting over de Frans-Duitse Oorlog, omdat in het laatste geval niet meteen duidelijk is wat de directie relevantie is met betrekking tot Liszt.1

Walker besluit zijn biografie met een ronduit pijnlijke en minutieuze beschrijving van de laatste dagen van Franz Liszt, die de componist doorbracht in Bayreuth ten tijde van de Bayreuther Festspiele. Een zo mogelijk slechtere plaats voor Liszts sterfbed is bijna niet te bedenken, Bayreuth is tenslotte het Heiligen der Heiligen waar het Richard Wagner betreft – die persoonlijk al bij leven dermate overtuigd was van de kwaliteit van zijn oeuvre en de overbodigheid van al het andere. In de reuring van het festival, de eerste editie georganiseerd door de weduwe Cosima Wagner, lijkt de doodzieke Liszt bijna te worden vergeten en de symptomen van vergaande aftakeling worden aanvankelijk niet bijster serieus genomen. Zelfs na zijn overlijden blijft er gesteggel ontstaan over zijn laatste rustplaats en de uitvoering van zijn testament.

“The Final Years” eindigt wat abrupt met de dood van prinses Carolyne. Verwacht van Alan Walker geen diepzinnige slotreflectie of een toepasselijk citaat, de biografie heeft dat ook geenszins nodig. De drie delen zijn op zichzelf al genoeg eerbetoon aan het fenomeen Franz Liszt.

  1. Die relevantie wordt later overigens wel pijnlijk duidelijk als de immer charmante Wagners (Richard en Cosima, in dit geval) zich enthousiast uitlaten over de uitkomst van de oorlog tegenover Liszt en zijn Franse vrienden.

Titel: Franz Liszt: The Weimar Years, 1848 - 1861
Auteur(s):
Jaar: 1993
Uitgever: Cornell University Press
Waardering:

Franz Liszt: The Weimar YearsDit is een recensie van tweede boek van de driedelige biografie van Franz Liszt door Alan Walker, mijn mening over het eerste deel is hier te vinden. Veel van de positieve punten die voor het eerste deel gelden zijn ook dit keer weer van toepassing, al lijkt Walker met name aan het begin even wat moeite te hebben om het turbulente leven van Liszt narratief gezien weer op de rails te krijgen. Deels komt dit omdat de tweede vrouw in Liszts leven ten tonele verschijnt; Prinses Carolyne zu Sayn-Wittgenstein, een vrouw die heel haar leven gebukt leek te gaan onder problemen als gevolg van bureaucratie en konkelende (schoon)familie.

In het derde hoofdstuk krijgen de onlusten in Hongarije de nodige aandacht en daar blijkt eens te meer de affiniteit die Walker ten dag legt als het gaat om historisch inzicht. Een persoon als Franz Liszt is niet te doorgronden zonder de negentiende eeuw ook enigszins te contextualiseren, zeker aangezien zijn muziek vaak beïnvloed is door belangrijke gebeurtenissen, zowel op persoonlijke als (inter)nationale schaal. Menig biograaf zou wellicht snel voorbij gaan aan de complexe politieke situatie in Hongarije dat indertijd deel uitmaakte van het Habsburgse Rijk, maar Walker schuwt niet om bijna een heel hoofdstuk te wijden aan het geboorteland waarmee Liszt zich onmiskenbaar verbonden voelde.

De hoofdmoot van het boek bestaat echter uit een beschrijving van Liszts tijd in Weimar als Kapellmeister aan het hof van groothertog Carl Alexander, een ceremoniële post die hij na het staken van zijn professionele carrière als reizend pianovirtuoos ook daadwerkelijk ging bekleden. Het werkzame leven van Liszt kent vanaf dat moment grofweg drie hoofdactiveiten: het programmeren en dirigeren van concerten, het onderwijzen van pianostudenten (Hans von Bülow en Carl Tausig zijn pupillen uit de Weimar periode) en de kunst van het componeren.

Zowel het in de hoedanigheid van componist als dirigent/programmeur ondervond Liszt grote problemen. Vanwege een chronisch geldgebrek moest hij een constante strijd voeren om concerten en opera’s (waaronder de dure monsteropera’s als “Lohengrin” en “Tannhäuser”) te kunnen programmeren en nieuwe leden voor het onderbezette orkest van Weimar aan te stellen. De keuze van Liszt om veel modern werk van “nieuwe” componisten als Berlioz en Wagner te programmeren viel ook bijzonder slecht bij het overwegend conservatieve publiek in Weimar en ook in de rest van Duitsland waar hij regelmatig als gastdirigent gevraagd werd. De abominabele kwaliteit van de orkesten in de negentiende eeuw moet ook bijgedragen hebben aan de ronduit vijandige ontvangst van nieuwe, innovatieve composities. Alan Walkers hoofdstuk over “Liszt the Conductor” opent met een amusante schets van de staat waarin een gemiddeld negentiende eeuws orkest verkeerde. Het maakt de verdiensten van Liszt als dirigent des te imponerender.

Net als het vorige deel bevat “The Weimar Years” eveneens korte analyses van de composities van Liszt in het tijdvak van 1848 tot 1861, waaronder de Pianosonate in B mineur. Opvallender is echter de aandacht voor het symfonische werk van de componist. Stukken als “Tasso”, “Hungaria” en zelfs de twee pianoconcerten worden heden ten dage slechts sporadisch uitgevoerd, volgens Walker ten onrechte gezien de innovativiteit van veel van Liszts orkestrale werk.

De negentiende eeuwse opinie over Liszt als componist is helaas al niet veel beter als die van hem als dirigent. Dezelfde vijandigheid (wellicht een symptoom van de “War of the Romantics”) jegens zijn dirigentschap vormt zich eveneens tegen de gestage stroom composities die hij schreef gedurende de jaren in Weimar. Ondanks vele successen laat de Weimar-periode zich voor Liszt toch het beste samenvatten in termen van teleurstelling en afwijzing.

meininger-hofkapelle-1882

De negentiende eeuwse pianist, componist en dirigent Hans von Bülow stond bij leven al bekend om zijn ongezouten meningen die hij graag mocht ventileren (“Een tenor is geen man, maar een ziekte.”), een eigenschap die hem zowel befaamd als berucht maakte.

Tijdens zijn vijfjarige aanstelling (1880 – 1885) als dirigent van de Meininger Hofkapelle stond Von Bülow aan de wieg van vele innovaties op het vlak van orkestsamenstelling en dirigeertechniek – de leden van de Hofkapelle werden bijvoorbeeld geacht uit het hoofd te spelen. Dankzij Von Bülow werd een aanstelling bij het orkest van Meiningen een gewilde plaats voor musici om het vak te leren. Zijn scherpe tong en tirannieke gedrag droegen bij aan het succes van het orkest maar veroorzaakten eveneens de nodige problemen voor de sterdirigent.

Aangezien Von Bülow voorvechter was van het werk van een aantal belangrijke, contemporaine componisten (Brahms, Wagner en Tchaikovsky) en deze ook met grote regelmaat programmeerde, verliepen repetities van dergelijke nieuwerwetse composities nog wel eens stroef. Het autoritaire leiderschap van de dirigent botste op dat soort momenten met andere ego’s in het orkest, zoals de vermaarde virtuoos Franz Strauss (de vader van Richard Strauss) die de post van eerste hoornist bekleedde in de Hofkapelle.

Tijdens een ellenlange generale repetitie van een opera van Wagner klaagde Franz Strauss dat hij niet meer verder kon spelen wegens uitputting. “Ga dan maar met pensioen!”, beet Von Bülow hem daarop toe. Strauss vertrok prompt naar Intendant Karl von Perfall om “op last van Herr von Bülow” zijn pensioen op te eisen. De vermogende Strauss had het pensioengeld niet eens nodig en werd als musicus ook nog eens onvervangbaar geacht. Daarmee zorgde het staaltje blufpoker van de dirigent vooral voor de nodige administratieve en diplomatieke hoofdbrekens voor Von Perfall die vervolgens een “staakt-het-vuren” tussen Franz Strauss en Hans von Bülow moest bemiddelen.