Grafmonument Franz LisztDe charme van Bayreuth is niet meteen merkbaar na aankomst per trein. Om het historische stadscentrum loopt een drukke ringweg waaraan niet de meest florissant ogende gebouwen gelegen zijn. Wel is in de verte het dak van het Festspielhaus zichtbaar, Wagners ietwat megalomane operahuis, dat enkele kilometers buiten de stad ligt.
Eenmaal aangekomen in de binnenstad herinneren de historische gebouwen aan de lange historie van Bayreuth, waaronder de twee stadspaleizen (Altes en Neues Schloss). Naast het obligate Wagner eerbetoon is er opvallend veel aandacht voor een andere held, wederom uit de literatuur, de Romantische schrijver Jean Paul. Verder hebben de pianobouwers Steingraeber & Söhne hun hoofdkantoor in Bayreuth. De Steingraebers deden in het verleden zaken met zowel Franz Liszt als Richard Wagner en de organisatie van de Bayreuther Festspiele.

Stadtfriedhof

Erlanger Straße
Graf van LisztHet rustige stadskerkhof is het oudste van de stad en is tevens de plek waar een aantal beroemde personen hun laatste rustplaats kennen. De bekendste is uiteraard Franz Liszt, wiens grafmonument een vrij centrale plek heeft op het kerkhof. Niet ver van Liszts rustplaats is het familiegraf van de Wagners, waar Siegfried en Winifred Wagner liggen, maar ook hun kinderen – waaronder Wolfgang en Wieland. Eigenlijk is een flink deel van het kerkhof gereserveerd voor familie en vrienden van de Wagners, waaronder de Klindworths, Eva Chamberlain en Daniela von Bülow (Cosima Wagners dochter met Hans von Bülow).

Villa Wahnfried

Wahnfriedstraße 2
Villa WahnfriedWahnfried, de villa waar de familie Wagner jaren in verbleef is sinds 2013 gesloten wegens grote renovatiewerkzaamheden en verbouwing. Dat is jammer, want het Richard Wagner Museum dat gevestigd is in de villa schijnt zeer de moeite waard te zijn. Het graf waar Richard en Cosima liggen aan de achterzijde van het huis is wel bereikbaar. Gezien alle uiterlijke weelde van Wahnfried en het mooie stadspark achter het huis is het graf gek genoeg een bijzonder ingetogen plek. Eigenlijk is het niet meer dan een grote molshoop met een ongemarkeerde plak natuursteen er bovenop. Ook een bepaalde uitspraak natuurlijk; de rustplaats van de Meester behoeft geen verdere introductie, of iets dergelijks.

Liszt Museum

Wahnfriedstraße 9
Liszt MuseumHet museum dat op een steenworp afstand van Wahnfried ligt is tevens het huis waar Liszt is gestorven. De permanente tentoonstelling omvat slechts een vijftal kamers en bestaat met name uit reproducties van belangrijke documenten uit het leven van Liszt en vele portretten van hemzelf en belangrijke familie, vrienden en kennissen. Ondanks de beperkte aanwezigheid van originele stukken (de sandalen van Franz zijn in ieder geval wel aanwezig) is het museum toch de moeite waard voor de liefhebber, zeker als die voor een gesloten deur stond bij het gelijkaardige museum in Weimar.

Bayreuther Festspielhaus

Festspielhügel 1
Bayreuther FestspielhausNet als Wahnfried staat ook het Festspielhaus aan de buitenzijde in de steigers, gelukkig worden er desondanks nog wel rondleidingen gegeven. Iemand die het werk van Wagner niet bovenmatig kan waarderen moet toch zeker een bezoek aan het theater niet overslaan. In het rustige park dat rond het gebouw is aangelegd is het in de lentezon bijvoorbeeld prettig vertoeven. Maar ook de rondleiding in Wagners theater is een ervaring op zich. Het gigantische podium, de imposante architectuur, de krappe orkestbak die is verscholen voor het publiek en de beruchte, uiterst comfortabele houten klapstoelen die sinds dit jaar extra bekleding hebben ter bescherming van het tere zitvlees van de operabezoeker. Alle elementen tezamen maken van het Festspielhaus een ervaring waar je toch enigszins van onder de indruk raakt.

En hiermee is onze reis door Leipzig, Weimar en Bayreuth ten einde. Morgenvroeg volgt alleen nog een lange treinreis van meer dan tien uur terug naar Rotterdam. Een ding is in ieder geval duidelijk: wat moeten de reizen van Franz Liszt (die met regelmaat delen van dezelfde route aflegde) een vermoeiende aangelegenheid zijn geweest. Onze rondreis was in ieder geval de moeite meer dan waard.

Titel: Winifred Wagner: A Life at the Heart of Hitler's Bayreuth
Auteur(s):
Jaar: 2005
Uitgever: Granta Books, Londen
Waardering:

hamann-winifred-wagner Als je de eerste hoofdstukken van Brigitte Hamann’s uitstekende biografie over Winifred Wagner (geboren Winifred Williams) leest is het eigenlijk weinig opzienbarend dat ze haar leven lang overtuigd antisemiet en racistisch bleef en haar vriendschap met Adolf Hitler in de jaren dertig als een van haar dierbaarste herinneringen koesterde.

De van oorsprong Engelse Winifred werd als weeskind geadopteerd door in Duitsland woonachtige familie, de Klindworths uit Berlijn. Karl Klindworth, pianist en pianodocent van beroep, was een pupil van Franz Liszt, tomeloos bewonderaar van Richard Wagner en goed bevriend met de Wagner familie. Het enthousiasme van de Klindworths voor Wagner en zijn muziek stak ook de jonge, ontvankelijke Winifred aan. Haar eerste bezoek in het kielzog van de oude Karl aan de Bayreuther Festspiele in 1914 maakte dan ook grote indruk. Niet alleen het festival vervulde Winifred van ontzag en bewondering, maar ook de familie van de Meester van Bayreuth, zijn zoon Siegfried in het bijzonder.

Na haar bezoek aan het festival is in de door Hamann aangehaalde briefcitaten duidelijk merkbaar hoe zeer de zeventienjarige Winifred bezeten raakte van Siegfried, die vele jaren ouder was en heimelijk homoseksueel. Haar bezetenheid, idolatrie zelfs, van charismatische mannen met een zekere positie was kenmerkend voor haar karakter. Als Winifred Wagner sprak over de belangrijke mannen in haar leven – Siegfried Wagner, Heinz Tietjen en Adolf Hitler – leek het bijna alsof het om de helden uit de muziekdrama’s van Richard Wagner ging.

Het onvermijdelijke huwelijk tussen Winifred en Siegfried is voor Hamann de reden om een portret van de familie Wagner van na de eeuwwisseling te schetsen. Uit dat portret rijst een beeld op van een familiesfeer waar de geest van de overleden Richard nog zeer sterk rondwaart – niet in de laatste plaats vanwege de oude, maar nog steeds invloedrijke Cosima Wagner. Dat dertig jaar na Wagners dood zijn werkkamer in villa Wahnfried er in de jaren tien nog steeds uitziet alsof de Meester er net aan het werk is geweest mag veelzeggend heten. Het is Winifred die uiteindelijk de familietaboes goeddeels wist te doorbreken en in de loop der jaren een steeds belangrijker rol binnen de familie en het festival kreeg.
De Wagners, op hun beurt, beïnvloedden Winifred ook en niet onverdeeld ten goede. Van de Klindworths is bekend dat ze antisemitische opvattingen hadden. De familiekring in Bayreuth kan in vergelijking een waar antisemitisch moeras genoemd worden. Dochter Eva Wagner was bijvoorbeeld getrouwd met Houston Stewart Chamberlain, auteur van vele boeken, maar vooral bekend vanwege zijn rassentheorie opgetekend in Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts – een inspiratiebron voor de nazi-ideologie. Chamberlain maakte deel uit van een kring van antisemieten en racisten die onder de auspiciën van Cosima en later Winifred bijeenkwam in villa Wahnfried.

Gezien het diepgewortelde antisemitisme is het geen gek idee dat de ideeën van Adolf Hitler op veel enthousiasme konden rekenen binnen de Wagner familie. De vriendschap met Hitler, die ontstond na een bezoek van de Wagnerliefhebber aan het festival in Bayreuth, vormt de de basis voor de subtitel van het boek, “a life at the heart of Hitler’s Bayreuth”.
Het is niet meer dan logisch om aanvankelijk sceptisch over de ponering van het Wagner festival als een persoonlijk feestje van Hitler in de jaren twintig en dertig. Hamann’s feitenrelaas is echter overtuigend en toont de steeds verdergaande bemoeienis van de Führer met het festival. Hitler deed suggesties voor zangers, dirigenten en decorontwerpers en dicteerde na verloop van tijd ook welke opera’s van Wagner te horen moesten zijn op het festival. Hitlers bemoeienis met het festival in Bayreuth geeft weer blijk van de volslagen bizarre, reactionaire ideeën die de nazi’s erop na hielden over kunst en muziek in het bijzonder.
De vriendschappelijke band met Hitler ging ook verder dan inhoudelijke inmenging in het festival; de kinderen van Winifred speelden met Oom Wolf tijdens zijn regelmatige bezoeken aan Bayreuth en de familie luisterde ademloos naar de eindeloze monologen van de Führer tot ver in de ochtend. Zoon Wieland, na de oorlog een gevierd regisseur van zijn grootvaders muziekdrama’s en noodgedwongen uitvinder van het Regietheater, ontwikkelde zich tot de favoriet van Hitler. Het is bijzonder onrechtvaardig om te lezen hoe Wieland als een verwende puber gebruik en misbruik maakte van de macht die hem via de Führer werd verleend. Met de hulp van het regime lukte het hem bijvoorbeeld om de gevierde ontwerper Emil Preetorius, indertijd Wielands concurrent als decorontwerper, aan de kant te zetten door hem als “jodenvriend” te laten oormerken. Preetorius mocht niet meer werken en werd onderworpen aan ellenlange ondervragingen door de Gestapo. Later in de oorlog werd Wieland zelfs samen met Bodo Lafferentz benoemd als mede-opzichter van een geheim concentratiekamp in Bayreuth, een administratieve constructie om Wagners kleinzoon te behoeden voor militaire dienst aan het front. Wieland Wagner maakte na de oorlog een miraculeuze, naar nu blijkt weinig oprechte, transformatie door en hield vanaf dat moment vol dat Hitlers Duitsland hem met afschuw had vervuld.

Dankzij haar persoonlijke band met Adolf Hitler (zij noemde hem Wolf) wist Winifred ook bij andere nazi-kopstukken veel gedaan te krijgen. Zo werden er kaarten verkocht via diverse afdelingen van het Derde Rijk en kwam er geld voor broodnodige renovaties. Het ontlokte aan Winifred in haar nadagen de uitspraak dat zonder de steun van Adolf Hitler de Bayreuther Festspiele niet meer zou bestaan. Uit de biografie komt Winifred Wagner als een onverbeterlijke racist en antisemiet naar voren. De compassie die ze in de periode voor en gedurende de Tweede Wereldoorlog toont voor slachtoffers van het nazi-regime, inclusief vele Joden, is gezien haar politieke overtuiging op zijn minst opmerkelijk te noemen. Vanwege haar connecties met de Führer kreeg ze vele brieven van mensen die haar direct om hulp vroegen, om bijvoorbeeld familieleden te behoeden van deportatie of om mensen vrij te laten uit concentratiekampen. Winifreds racisme en antisemitisme beheersten misschien haar leven, maar toch vooral op theoretisch of filosofisch niveau, blijkens de mate waarin zij zich inzette voor vele mensen, ongeacht geaardheid, geloof of afkomst. Zodra de gruwelen van het Derde Rijk merkbaar werden voor de bevolking van Duitsland leek ze slachtofferhulp bijna als een plicht voor een dame van haar stand op te vatten.

Anders dan zoon Wieland blijft Winifred Wagner tot aan haar dood een onverbeterlijke bewonderaar van Adolf Hitler – haar trouwe vriend – en een aanhanger van de völkische nazi-idealen. Haar Wolf werd gemanipuleerd door zijn kwaadaardige dokter, secondant Martin Bormann en de rest van de partij, Hitler viel niets te verwijten. Ook de bewijzen voor een “Joods Complot” tegen de kunsten waren voor haar na de oorlog nog immer onomstotelijk. Door haar verplichtingen voor het festival kon ze zich in het naoorlogse klimaat moeilijker openlijk lieren aan diverse neo-nazistische, politieke groeperingen zoals de Zwarte Weduwe Rost Van Tonningen dat in Nederland bijvoorbeeld deed, maar haar extreem-rechtse politieke sympathieën in die tijd zijn evident.
Het verhaal van de familie Wagner in de naoorlogse jaren geeft het beeld van een zo mogelijk nog verkniptere familie. Zoons Wieland en Wolfgang strijden tegen elkaar om het leiderschap van het festival en beide ook ook nog eens tegen hun moeder, nog steeds een krachtige persoonlijkheid.

Brigitte Hamann’s biografie is even grondig als boeiend, zelfs zonder een sympathieke protagonist. Hamann betuigd in haar voorwoord spijt dat ze het privé-archief met correspondentie van de Wagners niet heeft mogen onderzoeken voor haar boek, de familie houdt deze collectie namelijk nog altijd angstvallig geheim. Wellicht dat uit de persoonlijke briefwisselingen van Winifred nog meer van haar persoonlijke leven duidelijk had kunnen worden. De veelvuldige citaten uit brieven en dagboeken die buiten het Wagner embargo vallen, zoals de huiselijke wederwaardigheden van Liselotte Schmitt of de ijzingwekkende passages die Joseph Goebbels’ hatelijke proza bevatten, geven een duidelijk beeld van het leven in en rond Wahnfried. Wel lijkt het alsof het hele leven van Winifred Wagner enkel in het teken heeft gestaan van haar familie, het festival en haar Führer.

Titel: Franz Liszt: The Final Years, 1861 - 1886
Auteur(s):
Jaar: 1997
Uitgever: Cornell University Press
Waardering:

franz-liszt-the-final-years“The Final Years” vormt de conclusie van Alan Walkers driedelige biografie van Franz Liszt, eerder verschenen mijn recensies van het eerste en tweede deel.

Dat Franz Liszt de laatste jaren van zijn leven niet op zijn lauweren is gaan rusten mag geen verrassing heten. Het etiket “turbulent” dat de eerdere fases uit het leven van Liszt adequaat omvat is ook zeker van toepassing waar het de nadagen van de man betreft. Na het vertrek uit Weimar vestigt de componist zich in Rome, waar zijn levensgezellin prinses Carolyne zu Sayn-Wittgenstein inmiddels ook verblijft en verwikkeld is in onderhandelingen met de Rooms-katholieke kerk over het verkrijgen van toestemming voor een huwelijk tussen haar en Liszt.

Rome is een van de drie steden die samen met Weimar en Budapest de “drie-eenheid” vormen waar Liszt in de laatste twintig jaar van zijn leven jaarlijks achtereenvolgens naar afreist. Het verblijf in Weimar en Budapest staat voornamelijk in het teken van doceren, respectievelijk aan huis en aan het conservatorium. De opzet van veel van Liszts lessen in die tijd doet Walker concluderen dat hij de uitvinder van de moderne “master class” is. Rome lijkt vooral een retraite waar hij in alle rust kan componeren, Walkers beschrijving van Liszts regelmatige verblijf in Villa d’Este is in dit geval exemplarisch.

Er is in dit deel van de biografie diepgaande aandacht voor de positieve kanten uit het leven van Liszt, zoals zijn wijding als abbé en de groeiende waardering voor zijn persoon (bijvoorbeeld in Weimar) en zijn activiteiten als componist en symfonist in het bijzonder. Toch staat verhaal van Walker voornamelijk in het teken van de vele tegenslagen die Liszt op latere leeftijd kreeg te verwerken en hoe deze feiten Liszt soms als componist vormden. Revolutionaire composities als “Nuages gris” en “La lugubre gondola” zijn volgens Walker deels terug te voeren op Liszts emotionele gesteldheid in die jaren. Het uitblijven van zijn huwelijk met Carolyne zu Sayn-Wittgenstein door de politieke machinaties van de schoonfamilie Hohenlohe en de dood van zijn dochter Blandine krijgen van de auteur de aparte hoofdstukken die dergelijke gebeurtenissen verdienen, maar veruit de meeste aandacht gaat uit naar de onfortuinlijke driehoeksverhouding tussen Cosima von Bülow-Liszt, Hans von Bülow en Richard Wagner.

Het verhaal rond de affaire tussen Wagner en Von Bülow heeft in de nauwgezet beschreven versie van Walker niets ingeboet aan dramatiek en het is niet moeilijk voor te stellen dat de kwestie en de nasleep diepe emotionele sporen hebben nagelaten bij Liszt.
Opvallend is overigens de behandeling van de persoon Richard Wagner. Het is niet dat Walker bijzonder negatief is over de Meester van Bayreuth, maar de door hem aangehaalde bronnen schetsen het beeld van een obstinaat en egocentrisch heethoofd – waarschijnlijk niet ver bezijden de waarheid. Zo zeurt Wagner regelmatig bij Liszt om geld om vervolgens, na nul op het rekest te hebben gekregen, bijzonder onaangenaam van leer trekken tegen zijn weldoener en toekomstige schoonvader. Franz Liszt, ook niet zonder nukken of van onbesproken gedrag (bijvoorbeeld zijn affaire met Agnes Street-Klindworth), kan op veel meer verdediging van Walker rekenen, in lijn met diens verlangen naar correctie van het onevenwichtige beeld dat van Liszt is ontstaan na zijn dood.

Ook in dit deel maakt Alan Walker enkele historische contextualisaties. De uitweidingen over politieke machinaties binnen de Rooms-katholieke kerk – met kardinaal Gustav Hohenlohe als lijdend voorwerp – zijn geslaagder dan de uiteenzetting over de Frans-Duitse Oorlog, omdat in het laatste geval niet meteen duidelijk is wat de directie relevantie is met betrekking tot Liszt.1

Walker besluit zijn biografie met een ronduit pijnlijke en minutieuze beschrijving van de laatste dagen van Franz Liszt, die de componist doorbracht in Bayreuth ten tijde van de Bayreuther Festspiele. Een zo mogelijk slechtere plaats voor Liszts sterfbed is bijna niet te bedenken, Bayreuth is tenslotte het Heiligen der Heiligen waar het Richard Wagner betreft – die persoonlijk al bij leven dermate overtuigd was van de kwaliteit van zijn oeuvre en de overbodigheid van al het andere. In de reuring van het festival, de eerste editie georganiseerd door de weduwe Cosima Wagner, lijkt de doodzieke Liszt bijna te worden vergeten en de symptomen van vergaande aftakeling worden aanvankelijk niet bijster serieus genomen. Zelfs na zijn overlijden blijft er gesteggel ontstaan over zijn laatste rustplaats en de uitvoering van zijn testament.

“The Final Years” eindigt wat abrupt met de dood van prinses Carolyne. Verwacht van Alan Walker geen diepzinnige slotreflectie of een toepasselijk citaat, de biografie heeft dat ook geenszins nodig. De drie delen zijn op zichzelf al genoeg eerbetoon aan het fenomeen Franz Liszt.

  1. Die relevantie wordt later overigens wel pijnlijk duidelijk als de immer charmante Wagners (Richard en Cosima, in dit geval) zich enthousiast uitlaten over de uitkomst van de oorlog tegenover Liszt en zijn Franse vrienden.

Titel: Muzikale poëtica in de vorm van zes lessen
Auteur(s):
Jaar: 2012
Uitgever: Uitgeverij Nieuwezijds
Waardering:

muzikale-poeticaIgor Stravinsky blijkt niet zo’n groot liefhebber te zijn van Richard Wagner. Dat is een feit dat duidelijk wordt uit “Muzikale poëtica” een bundeling van een serie lezingen (lessen) die hij gaf aan studenten van Harvard in 1939. Het transcript van deze ongewone lezingen verscheen in 1942 al in de Verenigde Staten en werd pas recent in het Nederlands vertaald.

Het boek wordt ingeleid met twee voorwoorden, het origineel van Darius Milhaud en een van Giorgos Seferis. Milhaud opent met een spervuur aan superlatieven waar het Stravinsky betreft en Seferis is vooral enorm pedant; “We zijn allemaal bekend met de episode waarover Boek II van de Aeneis verhaalt…” Beide mannen zijn het met elkaar eens dat de zes lessen een unieke kijk geven op de werkwijze en filosofie van Stravinsky. Tot op zekere hoogte is dit ook zo, al blijven de filosofische concepten in Stravinskys betoog vaak behoorlijk abstract. Duidelijker wordt zijn eigen muzikale overtuiging door de keuze van componisten over wie hij vol lof is (Gounod, bijvoorbeeld) en de individuen die niet op veel waardering van hem kunnen rekenen (Wagner, Berlioz).

Door zich uit te spreken over zijn collega’s uit het verleden en hun muzikale erfenis ontstaat er nadat de zes lessen zijn afgerond een duidelijk beeld van hou Stravinsky zich zelf graag mag zien als componist. Zo zet hij zich af tegen het predikaat van “revolutionair” dat hij toegekend kreeg na de première van “Le Sacre” en wordt het concept van het “Gesamtkunstwerk” weinig subtiel met de grond gelijk gemaakt. Uiteraard moet de lezer in het achterhoofd houden dat de lezingen gegeven werden aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, wellicht dat het de zeer sterke aversie van Stravinsky tegen de Wagneriaanse concepten “muziekdrama” en “leitmotiv” versterkt heeft. Anderzijds is Stravinsky bij uitstek een componist wiens muziek – zowel in de tijd van “Le Sacre du printemps” als in de latere neoclassicistische periode – uitermate weinig meer te maken heeft met de Hoogromantiek van Wagner, Strauss of Berlioz.

Aangezien de Nederlandse versie zeventig jaar na de originele Amerikaanse uitgave is verschenen, zou de vertaling erg gebaat zijn met een inleidend of afsluitend essay om zo Stravinsky en zijn werk verder te contextualiseren. Het feit dat de lezingenreeks midden in de neoclassicistische periode van de componist valt is bijvoorbeeld veelzeggend waar het zijn uitspraken over striktheid en begrenzing binnen het componeren betreft. Zijn houding tegenover (Sovjet-)Rusland en Russische muziek is ook interessant genoeg om verder uit te diepen. Waarom vindt hij de “strenge veroordeling” door het Sovjetregime van Shostakovich’ opera “Lady Macbeth of the Mtsensk District” bijvoorbeeld “dit keer misschien niet ten onrechte”?1

Met Stravinsky en Wagner is het in ieder geval niet goed meer gekomen, ondanks wat mildere uitlatingen omtrent de Meester van Bayreuth op latere leeftijd.

  1. In een brief naar Ernest Ansermet beschreef Stravinsky de opera in 1935 als volgt: “Het werk is van een beklagenswaardige provincialiteit, de muziek speelt een armetierige, illustratieve rol en kent een gênant realistische stijl…” Hij vond dat Shostakovich hem intellectueel en muzikaal had teleursgesteld en “Lady Macbeth” symptomatisch voor de benadering van muziek in Sovjet-Rusland. Een jaar later werd hetzelfde werk door de Russische staatscourant Pravda onder de titel “Muddle instead of music” neergesabeld als “een opzettelijk dissonante, verwarde stroom van geluid”. Het was de eerste officiële aanklacht van het Sovjetregime tegen Shostakovich’ muziek.

Titel: Wagner & Me
Regisseur: Patrick McGrady
Schrijver(s): Patrick McGrady
Jaar: 2010
Omroep: BBC
Waardering:

wagner and me“Wagner & Me” gaat bovenal om de liefde van Stephen Fry (komiek, schrijver, presentator, etc.) voor de muziek – of liever gezegd: het totaaltheater – van Richard Wagner. Het is eigenaardig om te zien hoe zeer Fry, normaliter ietwat uitgestreken en altijd gevat, niet veel meer kan dan stamelen als hij op het podium in Bayreuth staat of de openingsakkoorden van “Tristan en Isolde” hoort. Op een gegeven moment staan er drie Walkuren met vleugels van plexiglas op een decorstuk van ongeverfd spaanplaat de meest extreme vocale uithalen ten gehore te brengen en Fry kan niets anders dan vol bewondering toekijken. Het is misschien moeilijk voor te stellen waar zulke vervoering precies vandaan komt, zeker voor hen die niet van opera of Wagner in het bijzonder houden, maar de Meester van Bayreuth lijkt zulke extreme emoties nou eenmaal los te maken bij wie er ontvankelijk voor is.

De documentaire is op zijn interessantst als Fry samen met een kenner het muzikale vernuft van Richard Wagner in kaart brengt aan de hand van “Tristan en Isolde”. Vermakelijk is ook zijn bezoek aan Bayreuth alwaar de voorbereidingen van de Bayreuther Festspiele in volle gang zijn. Het interview met een van de organisatoren van het festival, Eva Wagner-Pasquier, over haar overgrootvader verloopt bijzonder stroef. Fry tracht tevergeefs allerlei romantische ideeën te verbinden aan de organisatie van het Wagner festival door twee vrouwelijke afstammelingen van Richard Wagner, maar Eva Wagner-Pasquier is of te gehaast, of te ongeïnteresseerd om er inhoudelijk op in te gaan. Of zou die vermeende Wagneriaanse onvriendelijkheid toch van generatie op generatie doorgegeven worden?

Minder geslaagd zijn Fry’s pogingen om de problematische verhouding tussen Richard Wagner, zijn muziek en Adolf Hitler te analyseren en nuanceren. De komiek is zelf van Joodse komaf en vraagt zich in de film af of hij daarom de muziek van Wagner eigenlijk wel mooi zou mogen vinden vanwege de associatie van Wagner met het nazisme. Gedurende de documentaire blijft dit schuldgevoel echter nogal abstract, vooral omdat Fry met wijdopen ogen van de ene verrukking in de andere valt. Zijn gesprek met celliste Anita Lasker-Wallfisch is het enige moment waarop de wroeging van Fry geen excuus lijkt om de donkere kanten van Wagner te behandelen.
Lasker-Wallfisch was in Auschwitz onderdeel van het Vrouwenorkest, hetgeen haar redde van de gaskamers, en speelde Robert Schumanns “Träumerei” voor de beruchte Josef Mengele. Zij stelt in “Wagner & Me” twee relevante vragen aan Stephen Fry. Ten eerste waarom hij specifiek in Bayreuth een opera van Wagner wil zien, aangezien die plaats terecht een beladen historie heeft met betrekking tot het nazisme. En waarom hij zich eigenlijk uren bloot zou willen laten stellen aan allesdoordringend gegil…

Anita Lasker-Wallfisch is duidelijk geen liefhebber van opera, ik ben dat ook niet, maar de documentaire is toch zeer zeker het bekijken waard voor eenieder die van muziek houdt. Bij de operapassages uit de film kunt u het geluid desgewenst gewoon wat zachter zetten.