Concert: David Lang – the whisper opera
Datum: 10 februari 2015
Uitvoerende(n): International Contemporary Ensemble, Jim Findlay
Locatie: de Doelen, Rotterdam
Waardering:

Foto: Armen Elliott

Foto: Armen Elliott

Op papier lijkt the whisper opera een aaneenschakeling van gimmicks. Fluisterende musici, een libretto bestaande uit tekstfragmenten geplukt van het Internet, onconventioneel bespeelde instrumenten en een gering publiek dat bijna oncomfortabel dicht op het podium zit. Zo’n combinatie zou een uiterst ongemakkelijke en pedante voorstelling op kunnen leveren, maar David Lang bewees in het recente verleden al dat hij met zijn composities de balans tussen pretentie en diepzinnigheid perfect weet te raken. Met de voorstelling in samenwerking met het International Contemporary Ensemble lukt het de New Yorkse componist weer.

Langs opera past naadloos in zijn recente oeuvre en zijn streven om emotionele muziek te schrijven; muziek die de luisteraar raakt. Het decorontwerp van regisseur Jim Findlay, het collagelibretto en de verstilde fluistermuziek van David Lang vergen van de luisteraar bijna een uur lang opperste concentratie. In the whisper opera zijn de grote emoties van bijvoorbeeld death speaks en the little match girl passion niet aanwezig. In plaats daarvan gonst het van de gefluisterde geheimen op het podium in een kubus van wit textiel. Als luisteraar ben je bijna een voyeur, ook al gaan de gesproken zieleroerselen soms over hele triviale zaken. In alle hoeken van het grote podium staan instrumenten opgesteld die de woorden kracht bijzetten en zo delicaat bespeeld worden dat de details alleen hoorbaar zijn voor het publiek dat direct naast het slagwerk, cello of de blaasinstrumenten zit. Sopraan Tony Arnold is de verbindende factor in de voorstelling. Haar fluisteringen variëren van zachte mijmeringen tot bijna hardop gesproken agressie. Het is dan ook Arnolds stem die het werk een adembenemend slot geeft.

Concert: Doric String Quartet – Haydn, Janáček & Schubert
Datum: 13 januari 2015
Uitvoerende(n): Doric String Quartet
Locatie: de Doelen, Rotterdam
Waardering:

Doric String QuartetHet Doric String Quartet bracht in 2014 een album met strijkkwartetten van Haydn uit dat door de Britse pers zeer lovend ontvangen werd. Op het programma van dit concert stond dan ook een kwartet van Haydn, het eerste werk uit Op. 76 – gek genoeg zonder malle bijnaam waarmee men de pennenvruchten van Franz Joseph zo graag weet te larderen. Het Doric String Quartet maakte de reputatie van gelauwerde Haydnvertolkers helaas niet waar; een wat iele klank voerde de boventoon. Bovenal was het een wat afstandelijke lezing van het kwartet.

Het tweede strijkkwartet van Leoš Janáček is een werk waar de passie en intense emotie bijna van de pagina’s afdruipt. In dit liefdesmanifesto, geïnspireerd door zijn bijzondere vriendschap met Kamila Stösslová, volgen de emotionele wendingen in hoog tempo op elkaar. Een koele interpretatie lijkt dan bijna onmogelijk en om die reden was de compositie dan ook een interessanter onderdeel van de avond. Het evenwicht was soms wel wat zoek. Er werd bijvoorbeeld vaak gekozen voor zwaar aangezette fortes, maar desalniettemin lukte het om de ongebreidelde hartstocht van de bejaarde componist over te brengen.

De vertolking van Schuberts bekendste strijkkwartet, No. 14 “Der Tod und das Mädchen”, liet helaas nogal wat te wensen over. De keuze voor hoge tempi en een zeer gebonden spel, stonden de articulatie van Schuberts vele stemmingswisselingen in de weg. De dialoog tussen instrumenten leek ook niet altijd optimaal (bijvoorbeeld in het Andante), waardoor er nogal wat ongewenste ruis hoorbaar was.

Stuk voor stuk ging het om verdienstelijke vertolkingen, maar wellicht is het Doric String Quartet, gezien de lovende kritieken, op opnames beter in zijn element.

Concert: Ensemble Klang – Wolfe, Lang & Gordon
Datum: 12 januari 2015
Uitvoerende(n): Ensemble Klang, Codarts Klassiek, Codarts Dans, Koninklijk Conservatorium
Locatie: de Doelen, Rotterdam, Stadsschouwburg Rotterdam
Waardering:

Coney IslandDavid Lang is als medeoprichter onlosmakelijk verbonden met Bang on a Can, de organisatie die zo belangrijk is voor nieuwe muziek in de Verenigde Staten en daarbuiten. Een concertserie omtrent David Lang is niet compleet zonder dat er ook werk van zijn naaste collega’s Julia Wolfe en Michael Gordon te horen is. Met de selectie van Lick (Wolfe), men (Lang) en Trance (Gordon) heeft Ensemble Klang een mooie staalkaart van het geluid van de drie componisten weten te bieden.

Lick vormde een mooie binnenkomer, aangezien het werk barst van de spanning en de hoekige ritmes. Door de veelvuldige maten rust die Wolfe inlast heeft ze de luisteraar meerdere malen op het puntje van de stoel. Ensemble Klang wist perfect raad met deze exercitie in beheersing en ritmisch vernuft.

De compositie van Lang is ietwat atypisch in vergelijking met het werk van Gordon en Wolfe. men heeft namelijk meer gemeen met de spaarzame klankwerelden van Morton Feldman. Dankzij de veelvuldige herhalingen heeft men echter net zo’n dwingend karakter als het extreem gelaagde Lick en Trance.
Bij men werd de film Elevated van Matt Mulican vertoond, gemaakt als visuele begeleiding van de compositie. Mede door het karakter van de oude filmbeelden van New York uit de jaren dertig transformeerde Langs ritualistische muziek welhaast tot een soort requiem voor een stad die niet meer bestaat. Dreigende, onheilspellende treurmuziek, dat wel. Alsof er bij de componist een machteloze woede schuilgaat over het verlies van de T-Ford en de hoogtijdagen van Coney Island, veroorzaakt door het voortschrijden van de tijd.

Er wordt vaak gezegd dat de invloeden van rock en jazz nooit ver weg zijn in het werk van Wolfe, Lang en Gordon. Julia Wolfe bracht bijvoorbeeld het afgelopen jaar het prachtige album Steel Hammer uit; haar geheel eigen kijk op de folkmuziek. In Langs men is de wereld van de rock misschien wel het verst weg en ook Wolfe wordt in Lick nooit heel erg letterlijk met haar referenties aan populaire muziek. Passages van Trance (1995) zouden echter niet misstaan op een album van een formatie als Godspeed You! Black Emperor, ware het niet dat de Canadese postrockers rond het midden van de jaren negentig slechts een cassettebandje met een fractie van hun muziek hadden uitgebracht.
Trance omvat meer dan alleen rock, het is met regelmaat een overweldigende geluidsmuur die niet helemaal goed tot zijn recht kwam in de Grote Zaal van de Rotterdamse Stadsschouwburg. De zaal mag dan een aardig formaat podium hebben, de orkestbak en de tribune zijn verder vrij krap, onvergelijkbaar met de gelijknamige zaal in de Doelen. Men had echter het toneel nodig voor de dansers van Codarts die een choreografie van Lóránd Zachar ten uitvoer brachten op de muziek van Gordon. De zeer fysieke dansbewegingen varieerden van invloeden uit streetdance tot de militaire parades waar totalitaire regimes zo verzot op lijken te zijn.
Muzikaal gezien is het werk een bombardement van bijna een uur waarbij een gigantische hoeveelheid geluiden op de luisteraar worden afgevuurd. Bij vlagen zijn is het herhaalde muzikale materiaal ronduit irritant, zoals de gesamplede stemgeluiden die tegen het einde van het stuk steeds na elkaar gespeeld worden. Net op het moment dat de grens van het redelijke bereikt is, vloeien dergelijke irritaties uiteindelijk weer over in de andere strengen van Gordons uitzinnige klanktapijt. Meerdere van zulke stukken op een avond zou te veel gevraagd zijn voor de luisteraar, maar in deze context was het werk zeer op zijn plaats.

Concert: Silbersee – Match Girl Passion
Datum: 17 december 2014
Uitvoerende(n): Silbersee, Romain Bischoff
Locatie: Laurenskerk, Rotterdam
Waardering:

over-london-by-railDe recente, vocale composities van David Lang (death speaks, the little match girl passion en het recente love fail) zijn exercities in spaarzaamheid; een worsteling om met zo weinig mogelijk noten een zo groot mogelijke emotionele zeggingskracht te bereiken. Wie aan de kale, geraffineerde zanglijnen van het prijswinnende the little match girl passion theater wil ophangen moet daarom van goede huize komen. De leden van Silbersee probeerden het met hun interpretatie Match Girl Passion. Aangezien het passiespel over het meisje met de zwavelstokjes slechts een half uur in beslag neemt, werd er door Silbersee gekozen voor een aantal andere stukken van Lang en een compositie van Anthony Fiumara, om zo tot een avondvullende voorstelling te komen.

Fiumara’s In Paradise vormde de opening en bleek helaas een kolossale misstap. De gekozen tekst – een combinatie zijn van een gedicht van Hans Christian Andersen en passages uit In paradisum – ten spijt, klink het geheel toch vooral als edelkitsch, toongezet op een serie generieke GarageBand-loops uit de categorie Dance.

De vertolking van world to come was muzikaal gezien al een hele verbetering, maar de spastische choreografie van de zangers zat hier danig in de weg. Het letterlijk uitbeelden van muziek of tekst bleef de gehele voorstelling een groot euvel. De opening van the little match girl passion was in dit opzicht wel een verbetering. Slechts de minimale, wenkende gebaren van de zangers richting het meisje, op de tekst “Come, daughter. Help me, daughter”, hadden al meer dramatische zeggingskracht dan de zichtbaar vermoeiende, bibberende capriolen waarmee men begon. Helaas werden er in de loop van het passiespel ook wat bedenkelijke dramaturgische keuzes gemaakt, zoals een schranzende cellist en de vele wandelingen van de zangers over het toneel, waardoor er onbalans in het stemvolume ontstond. Minder uitbundige choreografie zou de voorstelling geen kwaad hebben gedaan.

Zowel de kostuums als het decor van de voorstelling verdienen echter lof. Het opsteken van de zwavelstokjes was bijvoorbeeld een mooie theatrale vondst, zeker in combinatie met de zang. De effectieve, verstilde slotscène van de passie vloeide over in een tweetal van de memory pieces van David Lang. Het bijzonder onheilspellende en weinig subtiele grind deed echter eerder aan een afdaling naar de hel, dan een hemelvaart van het meisje met de zwavelstokjes denken. Die keuze stond helaas symbool voor een avond waar het theater Langs prachtige muziek vaak te zeer overstemde.

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest – Schubert, Debussy & Poulenc
Datum: 13 december 2014
Uitvoerende(n): Rotterdams Philharmonisch Orkest, Yannick Nézet-Séguin; Collegium Vocale Gent; Kate Royal, sopraan
Locatie: deSingel, Antwerpen
Waardering:

Onvoltooide werken zijn voor musicologen van ieder allooi een favoriet onderwerp van speculatie. Om de een of andere reden is het erg verleidelijk om hele boekwerken te gaan schrijven over de half afgemaakte fuga uit Bachs Die Kunst der Fuge of pietluttige details uit het Requiem van Mozart. Voor de mindere goden uit de muziekwereld zijn onvoltooide werken van grote componisten vaak ook een compositiespeeltuin. De vele voltooiingen die bijvoorbeeld bestaan van Schuberts Unvollendete Sinfonie zijn daar een bewijs van. Veelzeggend is echter dat dergelijke voltooiingen na de première over het algemeen nooit meer te horen zijn.

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest speelde met chefdirigent Yannick Nézet-Séguin gelukkig de versie van de symfonie zoals Schubert hem heeft nagelaten. Helaas kenden de twee delen een wat onevenwichtige verloop dat op sommige plaatsen zelfs wat slordig te noemen was.

Zodra men echter begon aan de Nocturnes van Debussy leek het wel alsof er een ander orkest op het podium had plaatsgenomen. Misschien voelt het Rotterdams Philharmonisch zich meer thuis in de Franse klankwereld, of was het leeftijdsverschil van meer dan zeventig jaar tussen beide werken gewoon merkbaar. Onder Nézet-Séguins trefzekere directie overspoelden Debussy’s geraffineerde wolken van klankkleur de zaal van deSingel al snel. Het samenspel tussen leden van het Collegium Vocale en het orkest in het laatste deel van de Nocturnes beloofde eveneens veel goeds voor het koorwerk van na de pauze.

Poulencs Stabat Mater uit 1950 loste die verwachtingen meer dan in. Geschreven in een tijd dat zowel Olivier Messiaen (die andere aartskatholiek) als Pierre Boulez al enige tijd druk doende waren met het opschudden van het (Franse) muziekleven doet Poulencs muzikale taal misschien wat ouderwets aan. Boulez was geen liefhebber, natuurlijk, aangezien zijn collega in zijn optiek geen bijdrage leverde aan de Heilige Mars van de Muzikale Vooruitgang… Los van al het politieke gekonkel is het Stabat Mater een kolossaal werk dat in al zijn behoudendheid dapper weerstand biedt tegen enig modernistisch idioom. Een grootse compositie enerzijds omdat het voltallige Collegium Vocale Gent het podium moest delen met het orkest en sopraan Kate Royal, maar ook dankzij de dramatische kracht van het werk. De ervaring van Yannick Nézet-Séguin als koordirigent had in dit geval een gunstige uitwerking. Hij leidde orkest en koor soepel door de caleidoscoop van emoties die op momenten magistraal ondersteunt werden door de stem van Royal. Het Stabat Mater werd hierdoor het klapstuk van de avond.

Concert: Slagwerkhemel – Lang, De Rosa & Bjarnason
Datum: 30 november 2014
Uitvoerende(n): Ensemble Klang; SŌ Percussion; Residentie Orkest, André de Ridder
Locatie: de Doelen, Rotterdam
Waardering:

Foto: Remke Spijkers

Foto: Remke Spijkers

David Lang is dit jaar composer in residence binnen het Red Sofa programma van de Doelen. Dat wil zeggen dat er dit seizoen een aantal concerten met zijn werk in Rotterdam te horen zijn en hij een vijftal nieuwe stukken zal schrijven. Op deze avond klonk alvast het eerste exemplaar in de serie; een herschreven versie van een compositie uit 2007: pierced. Oorspronkelijk componeerde Lang het voor cello, piano, percussie en strijkorkest, maar voor de zes leden van Ensemble Klang ontstond er de versie voor saxofoons, trombone, piano, elektrische gitaar, percussie en strijkorkest.

De componist was zelf aanwezig voor de première van pierced en de beschouwing voorafgaand aan het concert. Tijdens dit gesprek gaf Lang aan graag emotionele muziek te schrijven en zich bij voorkeur per compositie vast te bijten in een enkel muzikaal probleem of vraagstuk. Zowel in pierced als man made, de stukken van voor de pauze, kwam die filosofie perfect tot uiting. pierced is in zijn oorspronkelijke vorm al een bijzonder intens stuk, maar in de nieuwe bewerking krijgen een aantal muzikale frases een extra lading. Zo transformeren in de nieuwe bewerking de herhaaldelijke uithalen van de cello in de tweede helft tot een zeer beladen, bijna klaaglijk gehuil van de twee saxofoons en gitaar. Lang krijgt je er mee op het randje van je stoel.

In man made zit een zelfde soort intense spanning, bovenal veroorzaakt door de slagwerkpartijen voor de geïmproviseerde instrumenten van SŌ Percussion die het raamwerk van de compositie vormen. Bij een andere componist dan David Lang komen vier mannen die vooraan op het podium takjes breken en flessen bespelen misschien als snel over als pretentieus effectbejag, maar in man made werkt deze licht theatrale toets perfect. Net als in pierced is er een rol weggelegd voor orkest, ditmaal in volledige bezetting. Het orkest zorgt ervoor dat de muzikale patronen van de percussionisten volledig verweven raken tot een pulserend symfonisch geheel. Het Residentie Orkest onder leiding van André de Ridder kweet zich uitstekend van die taak.

Na het zeer geslaagde eerste deel van de avond was het na de pauze de beurt aan werk van Alessandro De Rosa en Davíd Bjarnason. Helaas wisten de beide composities van hun hand veel minder te overtuigen. De Rosa’s Gravità ritrovata (Accordatura) is een puur orkestraal werk dat muzikaal gezien opstijgt uit de traditionele stemmingsroutine van symfonieorkest. Het is een gimmick die wellicht te rechtvaardigen valt als je de titel van de compositie – vrij vertaald: Hervonden zwaartekracht (Stemming) – in ogenschouw neemt. Vanuit de onzekerheid van een ongestemd symfonieorkest neemt het muzikaal materiaal een steeds vastere, zekerdere vorm aan.

Zowel De Rosa als Daníel Bjarnason bedienen zich van een muzikaal idioom dat vrijelijk grabbelt in alle uithoeken de muziekgeschiedenis. In beide gevallen levert het voornamelijk fragmentarische muziek op, waar de componist nooit al te lang op een muzikaal idee blijft hangen. Het Residentie Orkest leek desalniettemin onverminderd enthousiast te spelen, maar de nauwe focus van David Lang was in ieder geval ver te zoeken.

Muzikaal eclecticisme hoeft geen enkele belemmering te zijn om fantastische muziek te schrijven, maar zowel Gravità ritrovata (Accordatura) als Bjarnasons Emergence konden maar niet emotioneel beklijven. In het geval van De Rosa misschien omdat zijn muziek nooit echt gevaarlijk of stekelig werd, zoals dat bij Alfred Schnittke – de eclecticus pur sang – bijvoorbeeld wel het geval is. Bjarnasons muziek werd in het programmaboekje omschreven als “keelsnoerend” en “onheilspellend”. Dergelijke concepten kauwde hij misschien vrij nadrukkelijk muzikaal voor, maar ze werden nergens emotioneel voelbaar.

Titel: Beethoven 9
Ontwikkelaar(s):
Platform: iPad
Prijs: 12,99 (gratis proefversie beschikbaar)
Website:

2014-11-18 22.04.16

2014-11-16 19.37.16Wat zou Beethoven hiervan gevonden hebben? Een klein toestel waar vier volledige orkesten in verblijven en die niets anders doen dan zijn negende symfonie spelen. Aan Beethoven zelf kunnen we het niet meer vragen, maar dat is wat de app van Touch Press ons belooft: vier volledige uitvoeringen van Beethovens meest populaire symfonie (of is dat de vijfde?).

The Orchestra viel als app wat licht uit, vooral omdat het slechts om fragmenten van grotere stukken ging. Niets van dat alles in deze ‘Beethoven 9’, waar de focus op één stuk ligt. Voor wie The Liszt Sonata al kent, weet waar zich aan te verwachten. En toch biedt deze app nog zoveel meer.

Niet in het minst omwille van de vier uitvoeringen, elk verschillend op hun eigen manier. De eerste opname in stereo van het stuk uit 1958, geleid door Fricsay, laat een vroege uitvoering zien. De opname van Karajan, amper vier jaar jonger, laat al een heel ander geluid horen: zeer strak gespeeld en volledig onder controle. De opname van 1979 (de enige met video opname) van Bernstein is de meest traditionele en diegene die het best kan geassocieerd worden met het collectieve geheugen. Uit 1992 komt er een vreemde eend: Gardiner met een ‘historically inspired’ opname, gespeeld op instrumenten uit de tijd van Beethoven en een stuk lager gestemd, zoals het waarschijnlijk ook oorspronkelijk zo bedoeld was.

Iedere opname wordt uiteraard begeleid door een volledige partituur en een manuscript van het stuk uit 1825. Ook is er de keuze tussen een korte begeleidende commentaar, of een diepgravende, theoretische analyse (die zo lang is dat het stuk dient gepauzeerd te worden om te kunnen volgen met lezen). Deze informatie is zo interessant dat het geen straf is om het muziekstuk vier keer na elkaar volledig te horen, iedere keer in een andere uitvoering. Uiteraard hoort er ook een hypnotische kleurenschema bij, waardoor je precies kan zien welk instrument er op elk moment aan het spelen is. Op elk moment kan er trouwens geswitcht worden tussen de uitvoeringen, waardoor je goed kan vergelijken. Zo zijn de verschillen in tempo tijdens sommige stukken verbazingwekkend. Het Turkse marsgedeelte in het bekende vierde deel wordt op volledig verschillende manieren gespeeld, iets dat op geen enkele andere manier dan in deze app zo duidelijk wordt.

Buiten de uitvoeringen is er ook een hele resem achtergrondinformatie. Buiten de standaard geschiedenistekst zijn er interviews met hedendaagse musici, componisten en dirigenten die ieder iets vertellen over het stuk. Uiterst vermakelijk wordt het wanneer ze commentaar geven over de uitvoeringen zelf. Vooral koordirigent Simon Halsey is uiterst vermakelijk wanneer hij genadeloos een uitvoering de grond in bliksemt.

Dit is de beste app die Touch Press tot nu toe heeft uitgebracht, alleen maar omwille van de diepte in het stuk dat hierdoor ontdekt kan worden. Het gebruikt alle mogelijkheden van de iPad om nieuwe inzichten te bieden aan de gebruiker, waardoor het stuk op een andere manier kan worden onderzocht dan op ieder ander medium. Natuurlijk kan er altijd meer diepgravende informatie worden getoond, de geschreven achtergrondinformatie is namelijk een beetje karig. Maar het blaast nieuw leven in een muziekstuk dat een beetje stoffig kan dreigen worden door zijn eigen bekendheid. Er blijkt namelijk zoveel meer in te zitten, en dat is wat deze app op een unieke manier laat zien.

Concert: deFilharmonie – Beethoven & Brückner
Datum: 15 november 2014
Uitvoerende(n): Steven Osborne, piano; deFilharmonie, Edo de Waart
Locatie: deSingel, Antwerpen
Waardering:

Foto: Eric Richmond

Foto: Eric Richmond

Concertgebouw deSingel wijdt dit seizoen een serie concerten aan pianist Steven Osborne. Met recht, aangezien de Brit heel wat wapenfeiten op zijn naam heeft staan, zoals zijn integrale uitvoeringen van Messiaens Vingt regards sur l’enfant-Jésus en gelauwerde opnames van een keur aan componisten – waaronder Ravel, Schubert en minder bekende namen als Alkan en Kapustin.

Tot zijn repertoire behoren ook de vijf pianoconcerten van Ludwig van Beethoven, waarvan hij samen met deFilharmonie het tweede concert ten gehore bracht. Het pianoconcert was voor de jonge Beethoven een staalkaart van zijn pianistische vermogens en ligt qua idioom dicht bij het werk van zowel Haydn als Mozart. Osborne betoonde zich een begenadigd vertolker van het werk. Het leverde een interpretatie op waarbij Osbornes pianopartijen prachtig samenvloeiden met het orkest. Als Beethovens virtuoze passages Osborne al moeite kostten dan was dat misschien alleen even te merken tegen het einde van het Allegro con brio. Muggenzifterij natuurlijk, Osborne speelde geweldig.

Duurde de muziek voor de pauze veel te kort, na de pauze was dit een heel ander verhaal. Het oeuvre van Anton Brückner heeft altijd al felle voor- en tegenstanders gekend, maar deze avond viel met name de plaatsing van Brückners zesde symfonie tegenover Beethovens pianoconcert op. Beethovens vernuftige behandeling van zijn thematisch materiaal en Brückners imposante harmonische stapelingen hebben ogenschijnlijk weinig met elkaar te maken. Brückners symfonie is een perfect middel om te laten zien waar een symfonieorkest allemaal toe in staat is en maakt meteen ook duidelijk hoe schatplichtig de hedendaagse filmmuziek is aan het werk van Hoogromantische componisten. Edo de Waart en deFilharmonie speelden de symfonie meer dan vakkundig, maar de schijnbaar eindeloze reeksen van uitgestelde climaxen – nog fris in de oren klinkend in het Majestoso – pleegden na verloop van tijd een danige aanslag op de aandachtsspanne van deze luisteraar.

Concert: 10de Internationaal Liszt Piano Concours – Finale Solo
Datum: 6 november 2014
Uitvoerende(n): Mariam Batsashvili, Mengjie Han en Peter Klimo, piano
Locatie: TivoliVredenburg, Utrecht

Internationaal Liszt ConcoursEen competitie met de naam van Franz Liszt kan het zich eigenlijk niet veroorloven om de Pianosonate in B mineur als wedstrijdstuk achterwege te laten. Zoals met veel werk van Liszt is de sonate echter een compositie waar je je als jonge pianist danig aan kan vergalopperen. Voor de drie finalisten van het Internationaal Liszt Piano Concours betrof de pianosonate echter een verplichte compositie, als opmaat naar de gala-avond en prijsuitreiking aanstaande zaterdag.

Driemaal weerklonk de sonate, geïntroduceerd met een filmfragment over iedere finalist en een kort werk uit Liszt volumimeuze oeuvre – Die Lorelei en Ave maris stella. De Georgische Mariam Batsashvili, de jongste van de drie finalisten, sprak in haar introductie over de diepzinnigere Liszt die vaak verborgen zit achter de bravoure akkoorden en octaven. In haar interpretatie van de sonate leek ze dan ook steeds op zoek te zijn naar die man achter de noten, met zeer wisselend succes. Batsashvili bleek niet op te zijn gewassen tegen de technische eisen die de sonate vereist. Veel passages bracht ze er ietwat struikelend vanaf en soms was er ook een wat al te zware linkerhand hoorbaar, waardoor de accenten in de hoge registers verdwenen in een soep van bassen. Vaak verslikken overmoedige pianisten zich in de technische passages, waardoor de structuur van een Lisztcompositie maar al te makkelijk door de vingers glipt. Bij Batsashvili was dit helaas zeker het geval, al moet gezegd worden dat haar spel gedurende de ingetogen passages een mooie, zachte klank kende.

De Nederlander Mengjie Han bleek een veel betrouwbaardere reisgids door Liszts magnum opus. Ook ditmaal geen vlekkeloze vertolking, maar door de bank genomen een stuk trefzekerder dan zijn Georgische medefinalist. Het spel van Han kenmerkte zich door een bijzonder heldere klank en een wat trager tempo, waarbij ook de melodielijnen in de onstuimige passages uit de verf kwamen. Waarbij je bij Batsashvili kon horen wanneer ze zich opmaakte voor een veeleisend notensalvo, ging het Mengjie Han een stuk vloeiender af – ondanks zichtbaar trillende vingers (te zien op de grote videoschermen boven het podium).

Peter Klimo uit de Verenigde Staten sloot de avond af met een onevenwichtige interpretatie van de sonate. Het initieel hoge tempo leek hij niet consequent te kunnen vasthouden gedurende de rest van het stuk. Daarnaast schortte het op punten aan articulatie; vaak leken de noten in diverse toonladders bijna aan elkaar te plakken, wellicht het resultaat van enthousiast pedaalgebruik of het door Klimo vermoede mankement aan de Fazioli-vleugel. Ook zijn klank was over het algemeen een stuk doffer, waardoor de wederkerende euforische ontladingen in de sonate wat van hun glans en spanning verloren.

Op basis van de vertolkingen van de Pianosonate in B mineur zou het zo maar kunnen dat het 10de Internationaal Liszt Piano Concours gewonnen gaat worden door Mengjie Han, met Peter Klimo op de tweede plaats. Uiteraard hangt alles af van het juryoordeel en de uitvoeringen van Liszts eerste pianoconcert door Batsashvili en Klimo en de Totentanz door Han komende zaterdag.

Concert: Budapest Festival Orchestra – Mahler & Strauss
Datum: 10 oktober 2014
Uitvoerende(n): Budapest Festival Orchestra, Iván Fischer, Miah Persson, Tassis Christoyannis
Locatie: deSingel, Antwerpen

festival orchestra

Een volledig gevulde Blauwe Zaal in DeSingel, jdat kan alleen maar betekenen dat Mahler gespeeld wordt. Deze componist blijft een bizarre (en terechte) aantrekkingskracht hebben op het publiek in onze contreien. Op deze avond presenteerde het Budapest Festival Orchestra, onder leiding van Iván Fischer, de vierde symfonie van Mahler. Ook al was dit niet de meest populaire symfonie van Mahler net na zijn creatie, ondertussen is het één van zijn meest gespeelde werken geworden. En dat is niet toevallig, want het is een fascinerend muziekstuk dat zich niet gauw laat begrijpen.

De vierde symfonie wordt afgesloten met een lied, en dus zou er voor de pauze nog heel wat gezongen worden. Aangevangen werd er met StraussVier Letzte Lieder, een cyclus geschreven door een hoogbejaarde Richard Strauss in 1948. Het is verrassend hoe klassiek deze liederen geschreven zijn. Piet De Volder omschreef het mooi tijdens zijn introductie: ‘De Printemps, het serialisme en zelfs de prepared piano van John Cage waren er, en toen kwam Strauss met dit!’ Het werd door de Zweedse sopraan Miah Persson gezongen zoals het hoorde. Ook de interactie met het orkest was perfect: ze vulden elkaar aan, en de muziek stuwde de stem van Persson de zaal in. Toch klonk het allemaal net iets te glad, te sereen. Het Hongaarse orkest speelde deze klassiek geschreven stukken op de meest klassiek mogelijke manier, zonder weerhaken of frivole accenten.

Dit werd al snel anders toen de Grieke bariton Tassis Christoyannis het podium betrad om Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen te brengen. Al vanaf de eerste tonen merkte je dat de heer Christoyannis geen enkele moeite had om het orkest bij te benen. Het werd snel duidelijk dat het orkest hier veel minder moest letten op het samenspel met de zanger om hem niet te overstemmen, hij kwam er namelijk moeiteloos bovenuit. Dankzij een fascinerende mimiek (dikke wenkbrauwen die de bolle ogen nog accentueerden) bleef hij alle aandacht op zich gevestigd houden. Vooral in het derde deel Ich hab’ ein glühend Messer kon hij voluit gaan, en werd het orkest even opzij gezet. Ze speelden wel, maar het was nu aan hen om hém bij te benen en rigoureus genoeg te spelen om niet naar de achtergrond gedrukt te worden. Het is jammer dat de jonge Mahler hier slechts vier delen componeerde, want we hadden best nog wat langer naar deze bariton kunnen luisteren.

Na de pauze kwam dan de hoofdbrok van de avond, de vierde symfonie van Mahler. Dit bizarre en atypische stuk begint met een schitterend eerste deel, waarin een kinderlijk thema verschillende malen wordt aangezet, maar iedere keer wordt dit het hoofd vakkundig ingeslagen, om dan onder trompetgeschal uiteen getrokken te worden. Het probeert daarna nog wel even boven water te komen, maar opnieuw wordt het de grond ingetrapt. In het onbegrijpelijke tweede deel volgt een macabere dans, al was het om het kinderlijke thema uit het eerste deel ten grave te dragen. De alternatief gestemde viool die een prominente rol speelt (en op een vakkundige en schitterende manier bespeeld werd door eerste violiste Violetta Eckhardt) zorgt voor een ongemakkelijke sfeer, die desondanks toch door het hoofd blijft spelen.

En dan komt het moeilijke derde stuk. Het wordt gezien als een beschrijving van de heilige Ursula, waardoor een zekere vroomheid en introvertie aan dit deel eigen is. Het wil sereniteit en kalmte meegeven, wat Mahler ook aangaf door zijn tempobeschrijvingen voor dit deel: Ruhevoll (poco adagio – allegreto subito – allegro subito).  Het Budapest Festival Orchestra legde echter vooral de nadruk op het ‘Ruhevoll’ en zorgde voor een extreem langzaam tempo in dit deel. Officiëel zou de symfonie ongeveer 55 minuten duren, waarvan het derde deel ongeveer 19 minuten uitmaakt. Dit deel werd echter uitgesponnen tot meer dan 30 minuten, waardoor Mahlers kortste symfonie ineens niet meer zo kort bleek te zijn. Alle tempo en dynamiek vervloog uit het stuk, en zorgde jammer genoeg voor een bijna slaapverwekkende vertoning. Het te traag spelen van de tragere delen in een symfonie is een modern modeverschijnsel, en het is jammer dat het Bupapest Festival Orchestra hier niet immuun aan blijkt te zijn.

Het briljante vierde deel, de culminatie van deze symfonie en de zogenaamde ‘uitleg’ voor alle vorige delen, werd bijna zonder pauze aan het derde deel gesponnen. En alsof dirigent Fischer besefte dat het derde deel iets teveel tijd had ingenomen, werd er een schroeiend tempo ingezet. Toch was dit een opluchting na de beproeving van het derde deel. Sopraan Miah Persson kon ondanks het tempo haar stempel drukken en zorgde voor de kippevelmomenten die in dit lied horen te zitten. Misschien leek het zo, maar dit deel leek dan weer half zo lang te duren als normaal en zelfs een beetje afgehaspeld. De relativiteitstheorie van Einstein werd deze avond door het orkest danig op de proef gesteld.

Uiteindelijk bleven we zo toch een beetje op onze honger zitten. Natuurlijk is een opvoering van een symfonie altijd een feest, en zijn de verwachtingen daarom altijd wat hoger ingesteld. Het Budapest Festival Orchestra zorgde voor een degelijke uitvoering, waar geen foute noot in te bespeuren viel. De keuze van de tempi in het derde en vierde deel waren echter bizar, vooral omdat het eerste en tweede deel wel werden gespeeld zoals doorgaans de gewoonte. Waarschijnlijk hebben we ergens iets gemist …

Als uitsmijter volgde er een bizar schouwspel: het bijna voltallige orkest legde zijn instrumenten naast zich, en de dirigent kondigde in het Nederlands aan dat ze een kort stuk van een koorwerk van Mozart gingen zingen. Deze zeldzame vertoning was perfect voorbereid en zorgde voor een memorabel coda aan deze avond.