Concert: Hélène Grimaud speelt met water
Datum: 30 maart 2016
Uitvoerende(n): Hélène Grimaud, piano
Locatie: de Doelen, Rotterdam
Waardering:

Foto: Mat Hennek/DG

Foto: Mat Hennek/DG

Klassieke concertprogramma’s blinken niet vaak uit in originaliteit. Een pianorecital bevat meestal twee grote werken voor de pauze en een klapstuk om het publiek met een voldaan gevoel naar huis te laten gaan. De Franse pianiste Hélène Grimaud tracht met haar programma, met ‘water’ als verbindend thema, enige verandering in die traditie te brengen.

Voor de pauze daarom een negental korte stukken van uiteenlopende componisten, gespeeld zonder noemenswaardige rusten tussen de verschillende delen. Grimaud begon ingetogen met een opvallend lyrisch stuk van Luciano Berio. Het melanchologische Wasserklavier uit Six Encores vloeide naadloos over in de zoekende noten van Toru Takemitsu’s Rain Tree Sketch II. In beide stukken wist Grimaud mooi het mysterie dat besloten ligt in beide werken te vangen. Helaas overtuigden de drie volgende werken van Fauré, Ravel en Albéniz veel minder. Zowel bij Albéniz en in mindere mate bij Fauré ontbrak het aanmerkelijk aan vertelkracht. Gedurende Almería uit Isaac Albéniz’ bekende pianosuite Iberia weerklonk vooral de technisch complexiteit van het stuk en waande je je nimmer in de Spaanse zeehaven, hetgeen toch niet de bedoeling kan zijn in het muzikale Impressionisme.

Na het vlakke middendeel van het concert herpakte Grimaud zich weer met het visionaire Les jeux d’eau à la Villa d’Este van Franz Liszt en het Andante uit Leoš Janáčeks V mlhách (In de mist), waar ze de balans tussen techniek en beeldverklanking wel wist te vinden. Vreemd genoeg leverde het impressionisme van Claude Debussy ook geen grote problemen op, getuige haar vertolking van La cathédrale engloutie, al leek de kathedraal in de forte passages soms wel uit ijs gehouwen.

Wat de tweede pianosonate van Johannes Brahms precies te zoeken had tussen de stukken over water werd niet helemaal duidelijk. Het werk heeft bij vlagen wel iets weg van de verklanking van indrukwekkende natuurkrachten, dus misschien is de keuze zo gek nog niet. Grimauds interpretatie van de pianosonate had helaas te lijden onder de problemen die ook de kop op staken bij Fauré’s Barcarolle en de impressionistische stukken eerder die avond. De pianiste leek bij tijd en wijle moeite te hebben met Brahms’ stormachtige partituur waardoor de frasering van de melodielijnen niet altijd mooi uit de verf kwamen en er soms wat noten verhaspeld leken te worden.

Een bewonderenswaardig initiatief van Hélène Grimaud om zo veel verschillend werk te programmeren. Maar de vraag blijft of ze niet al te veel op haar hals heeft gehaald door al die stijlen en pianistische complexiteit in een avond te willen proppen.

Concert: DoelenEnsemble – Het Volk en de Wilden
Datum: 11 februari 2016
Uitvoerende(n): Lars Wouters van den Oudenweijer, klarinet; Frank de Groot, viool; Maarten van Veen, piano
Locatie: de Doelen, Rotterdam
Waardering:

henry-cowellVier werken uit een tijd waarin het muzikale landschap hevig aan het veranderen was. Toen Béla Bartók de opdracht kreeg om het werk te componeren dat uiteindelijk Contrasten zou gaan heten, was een van de randvoorwaarden dat de compositie niet te lang mocht duren, zodat een opname van het stuk op een 78-toerenplaat zou passen. De restrictie, ingegeven door technische overwegingen, zou een vijftigtal jaar eerder ondenkbaar zijn geweest. Bartók legde de eis gevoeglijk naast zich neer en kwam op de proppen met een compositie voor klarinet, viool en piano van twee keer de gevraagde lengte. Uiteindelijk perste men de compositie dan maar op twee grammofoonplaten. Contrasten uit 1938 was het “jongste” werk op het programma, maar qua muzikaal idioom klonk het minder wild dan de tien tot twintig jaar oudere geluiden van de twee Amerikaanse radicalen die ook nog op de rol stonden. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat Contrasten geen spannende muziek is. Percussieve pianopartijen, melodieën uit de volksmuziek, klassieke Bartók dus, maar ditmaal aangevuld met de muzikale indrukken die de componist in de Verenigde Staten opdeed. Pianist Maarten van Veen, violist Frank de Groot en klarinettist Lars Wouters van den Oudenweijer wisten wel raad met Bartóks jazz. Uitermate lenig spel van Wouters van den Oudenweijer en een glansrol voor De Groot met de duizelingwekkende vioolsolo in Sebes.

Het is moeilijk voor te stellen dat Dynamic Motion (1916) uit hetzelfde tijdvak in de muziekgeschiedenis komt als Stravinsky’s Le Sacre du Printemps of Debussy’s Jeux, geschreven in 1913. Het werk leunt hevig op toonclusters en Henry Cowell vraagt de pianist daarom om ook te spelen met armen en vuisten. Mede door het licht ironische, bijna verontschuldigende commentaar van Maarten van Veen en de Four encores to Dynamic Motion ontstond – waarschijnlijk onbedoeld – de notie dat Cowells composities voornamelijk geschreven zijn om te shockeren. Alsof Cowells werk louter bestaat vanwege een zucht naar schandaal en de bevestiging van zijn reputatie als ‘the loudest pianist in the world’. Een dergelijk beeld staat haaks op de gecontroleerde, maar onconventionele techniek die de componist van de pianist vraagt en de indrukwekkende klankwolken die uit de piano opstegen.

Voor de Étude pour Pianola (1917) van Igor Stravinsky en George Antheils Ballet Mécanique (1924) was niet eens een pianist nodig. De tot pianola omgebouwde Bosendörfer deed al het werk en Maarten van Veen kon gewoon plaatsnemen tussen het publiek. Zowel de Étude als het Ballet Mécanique werden gekenmerkt door een bijzonder afgemeten spel, een pianist werd dus wel degelijk zeer gemist. Eens te meer werd duidelijk dat de piano toch zeker een slaginstrument is, maar dat een musicus van vlees en bloed toch ook onmisbaar is voor een bevredigend concert.
Interessanter was de uitwerking op het publiek die de aanwezigheid van een speelautomaat op het podium had. De zaal werd aanmerkelijk baldadiger naarmate Ballet Mécanique vorderde. De verraderlijke stiltes en afwezigheid van enige lichaamstaal van een pianist zorgden er bijvoorbeeld voor dat er meermalen te vroeg geapplaudisseerd werd. De afwezigheid van een levende uitvoerder, met gevoelens die gekrenkt zouden kunnen worden, noopte iemand zelfs tot boegeroep. Een staande ovatie bleef ditmaal ook uit, gek genoeg.

Concert: DoelenKwartet – Alban Berg, de lyricus
Datum: 17 januari 2016
Uitvoerende(n): DoelenKwartet; Rosemary Hardy, sopraan; Lisa Eggen altviool; Larissa Groeneveld, cello
Locatie: De Doelen, Rotterdam
Waardering:

alban-bergAlban Berg is toch wel de hartstochtelijkste componist van de drie leden van de Tweede Weense School. In zijn werk is de Romantische vervoering nooit ver weg, ook al bedient Berg zich van een volslagen nieuw idioom. De avond begon met een compositie van een belangrijke inspirator van Berg en de gehele Tweede Weense School: Alexander Zemlinsky. Sopraan Rosemary Hardy zong zijn Maiblumen blühten überall waarbij het soms wat rommelde in de strijkpartijen en de algehele lijn van het stuk daardoor niet altijd even duidelijk naar voren kwam.

Bergs pianosonate boette in de bewerking voor zes strijkers door Heime Müller niets aan woeligheid in en het DoelenKwartet, aangevuld met Lisa Eggen (altviool) en Larissa Groeneveld (cello), was overduidelijk in zijn element. Dit gold ook voor de wat traditionelere Sieben frühe Lieder waarvoor Rosemary Hardy andermaal op het podium verscheen. Liebesode vormde een voorlopig hoogtepunt van de avond en het bewijs dat het Duitse concept van Sehnsucht toch wel een behoorlijk goede uitvinding is geweest voor de kunst.

Dodecafonie hoeft zeker geen starre, kale aangelegenheid te zijn en Bergs Lyrische Suite is daar een perfect voorbeeld van. Mooi spel van het DoelenKwartet van de vingeracrobatiek in het Allegro misterioso tot aan het gedragen Largo desolato.

Concert: Marc-André Hamelin – Cage, Stockhausen, Hamelin & Schubert
Datum: 10 december 2015
Uitvoerende(n): Marc-André Hamelin, piano
Locatie: deSingel, Antwerpen
Waardering:

Foto: Sim Canetty-Clarke

Foto: Sim Canetty-Clarke

De naam van pianist Marc-André Hamelin is onlosmakelijk verbonden met complexe muziek voor virtuozen. De catalogus van zijn opnames bij muzieklabel Hyperion is daar een bewijs van en natuurlijk de programma’s waarmee hij de wereldwijde concertzalen aandoet. Zo op het eerste oog bevatte het recital van Hamelin, met een Klavierstück van Stockhausen en werk voor prepared piano van Cage, in deSingel ook alle ingrediënten voor een avond stormachtige klavieracrobatiek. Met Klavierstück IX, Cages The Perilous Night en de laatste pianosonate van Franz Schubert koos de Canadese pianist echter voor een wat meer ingetogen programma.

Zowel The Perilous Night als het werk van Stockhausen vormden zeer geslaagde openingsstukken. Hamelin bewees zich een subtiele percussionist op de prepared piano en wist de droge woodblock en tinkelende gamelan timbres heel mooi te vermengen. In Stockhausens studie naar een akkoord bestaande uit vier noten kwam Hamelin de Virtuoos ook goed tot zijn recht in de vingervlugge passages. Helaas heeft de componist geen herhaling van 139 keer voorgeschreven voor het slot van het stuk, zoals het geval bij de openingsmaten. De slotpassages zijn namelijk onvervalste Stockhausiaanse klankmagie en Hamelin betoonde zich een waardige vertolker.

Met twee werken van eigen hand luidde de pianist het Romantische gedeelte van de avond in. Chaconne en Pavane variée zijn grotendeels een moderne voortzetting van de muziek die Liszt schreef tot grofweg het moment dat hij stopte met concerttournees. Volgend na de toch wat verstilde en bestudeerde werken van Cage en Stockhausen was het vooral te veel. De Chaconne, en Pavane in mindere mate, zijn bijzonder ingewikkelde composities die veel eisen van een pianist, maar een kernachtige boodschap verliezen in een storm van noten. Het is een cliché dat toch wel aan Hamelin kleeft; als pianist is geen werk te moeilijk voor hem, maar buiten zijn technisch vernuft zou er volgens critici niets meer dan dat zijn. Met zijn vertolking van Stockhausen, Cage en talloze fantastische opnames bewees Hamelin het tegendeel, maar wie enkel zijn interpretatie van Schubert na de pauze hoorde zou zich makkelijk kunnen vergissen.
Krystian Zimerman speelde eerder in Rotterdam een weergaloze versie van Franz Schuberts Sonate in Bes met ongekend gevoel en begrip, bij Hamelin ontbrak het in dezelfde compositie helaas aan overredingskracht. Schuberts melodielijnen stegen nagenoeg foutloos uit de vleugel op, maar misten de zangerige kwaliteit die een Schubertsonate zo bijzonder kan maken. Op de momenten waarop Schubert om forte vroeg leek het wel alsof Busoni of een jonge Liszt hun licht hadden laten schijnen over de passages. Een avond in onbalans. Voor een pianist die alles kan spelen doet Marc-André Hamelin er toch beter aan om werken te kiezen uit de Hoogromantiek of de rijke, moderne pianoliteratuur.

Concert: DoelenKwartet – Van chakra’s en zwarte engelen
Datum: 6 december 2015
Uitvoerende(n): DoelenKwartet
Locatie: de Doelen, Rotterdam
Waardering:

george-crumbHet DoelenKwartet waagde zich aan twee strijkkwartetten vol muzikale ideeën en ongewone speeltechnieken. The Seven Chakras van de Vlaamse componist Wim Henderickx nam de volledige eerste helft van het programma in beslag. Zijn derde strijkkwartet werd uitgevoerd met elektronica en lichteffecten, zoals dat elf jaar geleden bij de première in deSingel in Antwerpen ook het geval was. Qua karakter had het werk veel weg van het beroemdere werk van George Crumb dat later die avond nog zou klinken, maar ook de geest van een componist als Alfred Schnittke waarde rond. The Seven Chakras is een lang werk en leek soms een soort etalage van alle extended techniques die in de loop van de afgelopen twee eeuwen voor strijkinstrumenten zijn uitgevonden. In de partijen voor cello en de live gegenereerde electronica waren de mooiste geluiden te vinden, maar bleven helaas vaak op de achtergrond ten opzichte van de violen. De lichteffecten bleken een uitermate bescheiden toevoeging. Anders dan bij Crumb, ook niet vies van het nodige theater en onconventioneel spel, werd Henderickx’ creatie maar geen sluitend geheel.

Spanning was er alom in de uitvoering van Black Angels van George Crumb. Het DoelenKwartet leidde dit werk in met het beroemde deel uit het het veertiende strijkkwartet van Franz Schubert, bijgenaamd Der Tod und das Mädchen. Het is namelijk een van de prominentere muzikale citaten die Crumb in zijn eigen kwartet heeft verwerkt. Deze, toch wat overbodige, toevoeging kwam helaas niet helemaal goed uit de verf, het leek soms alsof violist Frank de Groot bij een aantal passages de rest van het kwartet moest inhalen. Met een symfonie van piepende insecten als opening, theatrale gongslagen en een batterij aan onconventionele speltechnieken werd Black Angels een intense luisterervaring. Daar deden de gebroken snaar van altvioliste Karin Dolman in Devil-music en de daaropvolgende onverwachte pauze niets aan af.

Concert: Krystian Zimerman – Schubert
Datum: 3 november 2015
Uitvoerende(n): Krystian Zimerman, piano
Locatie: de Doelen, Rotterdam
Waardering:

Foto: Kasskara en DGG

Foto: Kasskara en DGG

Gezien alle berichten over de nukken van de meesterpianist de afgelopen jaren leek het concert van Krystian Zimerman in de Doelen bij voorbaat al een precaire aangelegenheid. De recensie over het Amsterdamse concert van 1 november in NRC Handelsblad voorspelde in die zin ook al weinig goeds. Het Rotterdamse publiek in de Grote Zaal van de Doelen gedroeg zich echter voorbeeldig en deed hard zijn best het gekuch, dat Zimerman in Amsterdam zo irriteerde, tot een minimum te beperken. Die inspanning wierp zijn vruchten af, van ergernis was geen spoor te bekennen en de Poolse pianist nam met enig enthousiasme zijn daverende applaus in ontvangst.

Als je Zimerman hoort spelen is meteen ook duidelijk waarom hij zo graag die plechtige rust in de zaal afdwingt. De lichte passages in zijn lezing van de late sonates van Franz Schubert (D.959 en D.960) waren bijvoorbeeld zo breekbaar en subtiel, dat ieder omgevingsgeluid boven fluisterniveau bijna misdadig zou zijn geweest. Bij flink wat pianisten klinken de hoge registers nog wel eens wat kil en glazig. Het geluid van Zimerman liet zich over de gehele breedte van het klavier kenmerken door een prachtig omfloerste toon. Wellicht is het een gevolg van de technische aanpassingen die de pianist aan zijn Steinway heeft uitgevoerd, maar voornamelijk dankzij zijn totale beheersing van het instrument.
Een eigenzinnige vertolking van het Andantino, met een droge, bijna staccato baslijn, uit de Sonate in A, vormde samen met een wervelend Rondo het hoogtepunt van voor de pauze. Zimerman is niet van het grote gebaar, maar doseerde in beide sonates spaarzaam een aantal duizelingwekkende, dramatische pauzes. Een effectief stijlmiddel dat hij toepaste in het eerder genoemde Rondo en het weergaloze Allegro ma non troppo uit de Sonate in Bes, waarmee hij het concert besloot.

Concert: La Capella Reial de Catalunya & Hespèrion XXI – Lof der Zotheid
Datum: 28 oktober 2015
Uitvoerende(n): La Capella Reial de Catalunya & Hespèrion XXI, Jordi Savall; Loes Luca, declamatie; Peter Blok, declamatie; Reinout Bussemaker, declamatie
Locatie: Laurenskerk, Rotterdam
Waardering:

jordi-savall-hesperion-xxiDie Geert Geerts toch, na vijf eeuwen heeft men het nog steeds over hem. Weliswaar draagt hij dan de welluidendere naam Desiderius Erasmus, maar het is toch geen gekke verdienste voor een onwettig kind, geboren in een tijd waarin men een dergelijke status nog classificeerde als een geboortedefect (defectus natalis). Rotterdam mag graag te koop lopen met haar status als geboortestad van een van de grootste humanisten uit de geschiedenis – ook al woonde Erasmus er slechts drie jaar. Het eerbetoon van Jordi Savall en wijlen Montserrat Figueras aan Erasmus van Rotterdam en zijn Lof der Zotheid kon daarom ook niet ontbreken tijdens de viering van vijftig jaar De Doelen.

De keuze voor de Laurenskerk als locatie van het concert mag toepasselijk genoemd worden, aangezien het geboortehuis van Erasmus in de buurt van de kerk gelegen moet hebben. De symboliek van de plek ten spijt, bleek de keuze voor de Laurenskerk niet helemaal gelukkig. Qua akoestiek leende het gebouw zich uiteraard prima voor de koorwerken die in het programma van Lof der Zotheid waren opgenomen, maar sommige instrumentale werken hadden te lijden onder de architectuur van de kerk. In de passages voor intiemere instrumentbezettingen vermengden de tere klanken zich regelmatig tot een wirwar van melodie en ongewenste nagalm. Ook de opstelling van het massaal toegestroomde publiek was niet ideaal; een grote tribune in het midden van de kerk en twee zijtribunes waar het zicht deels ontnomen werd door de steunpilaren van het gebouw. Hopelijk hebben de achterste rijen het concert ook ten volle meegekregen, anders is het extra zuur dat zo’n beetje alle goede plaatsen vooraf gereserveerd leken te zijn.

Savalls Lof der Zotheid is aan de lange kant, maar door de rijke schakering aan muziek van uiteenlopende componisten, velen anoniem, en de declamaties van Erasmus en tijdgenoten werd het nergens saai. Qua muziek liep de selectie uiteen van sacrale werken van redelijk bekende namen als Josquin de Prez, Gesualdo en Dufay, tot hofmuziek en drinkliederen, zoals het enthousiasmerende slotstuk Quand je bois du vin clairet. Met enige regelmaat ontstegen de gekozen werken het karakter van illustratie bij een historische gebeurtenis, zoals het prachtige Este es el pan de la aflicción, dat volgde na een voordracht over de verdrijving van de Joden uit Spanje, Portugal en Florence. De tekstuele selecties schetsten met name een mooi beeld van hoe Erasmus als denker in de wereld stond. Daarbij waren met name de passages uit brieven en Erasmus’ Adagia bij vlagen akelig actueel. Peter Blok en Reinout Bussemaker declameerden hun teksten glashelder en met zorgvuldig gedoseerde theatraliteit. Loes Luca had het duidelijk lastiger met de meanderende zinnen uit Lof der Zotheid, maar maakte enkele versprekingen meer dan goed met haar smakelijke verteltrant. De vraag is wel of de selectie van Sergi Grau en Manuel Forcano een compleet beeld geeft van Erasmus en zijn tijdgenoten. Afgezet tegen Erasmus komt Luther bijvoorbeeld bijna naar voren als een wauwelend lulletje rozenwater dat zijn schimpscheuten tracht te maskeren met verzachtende, hoffelijke aanspreektitels.

Concluderend is geschiedenisles met Jordi Savall een feestje en ook nog eens een gelegenheid waarbij hij weet te ontroeren.

Concert: Richard Wagner – Tannhäuser
Datum: 14 oktober 2015
Uitvoerende(n): Symfonisch Orkest Opera Vlaanderen, Dmitri Jurowski; Calixto Bieito, regie; Rebecca Ringst, decor; Ante Jerkunica, Hermann; Burkhard Fritz, Tannhäuser; Ausrine Stundyte, Venus; Annette Dasch, Elisabeth
Locatie: Vlaamse Opera, Antwerpen
Waardering:

Foto: Annemie Augustijns

Foto: Annemie Augustijns

Heinrich Tannhäuser kun je beter niet uitnodigen op feestjes, dat was toch wel een van de belangrijkste conclusies die getrokken kon worden na het zien van de Tannhäuserproductie van Opera Vlaanderen. In de interpretatie van Calixto Bieito en Bettina Auer eindigde de zangwedstrijd in de Wartburg welhaast in een grotesquerie, met de aanranding van Elisabeth en de bijna-lynchpartij van Tannhäuser door de feestgangers. De scènes zijn kenmerkend voor Bieito’s zeer serieuze behandeling van de liefdescomponenten uit Wagners verhaal. Met name de driehoeksverhouding tussen Tannhäuser (Burkhard Fritz), Elisabeth (Annette Dasch) en Wolfram (Daniel Schmutzhard) werd erg zwaar aangezet, hetgeen voornamelijk een nogal problematische, rommelige derde akte opleverde. Het wurgen van Elisabeth door Wolfram en de daarbij behorende grimassen van beide personen leidden vooral af van de imposante klanken van het pelgrimskoor, dat in de eerste en derde akte helaas verbannen was van het toneel. Het “paapse wonder” waarmee Wagner zijn opera besluit zorgt al decennia lang voor hoofdbrekens bij regisseurs en is wellicht een verklaring voor het onbestemde einde van deze productie. Wat de abrupt aanbrekende Dag des Oordeels voor Tannhäuser, Elisabeth, Wolfram en Venus in petto heeft liet Bieito vooral aan de fantasie van de toeschouwer over.

Desondanks een prima, toch ietwat brave productie, maar niet zonder de nodige hoogtepunten. Ausrine Stundyte droeg als Venus de volledige eerste akte, met haar krachtige stembereik en indrukwekkende choreografische prestaties. Het is jammer dat ze vrij lang woordeloos en eenzaam op het podium rond moest zwerven vanwege de toegevoegde bacchanaalmuziek uit de Parijse versie van de opera na de eerste ouverture. Het is prachtige muziek, maar ooit geschreven om een heel ballet te ondersteunen, zelfs het charisma van Stundyte kon dit dode moment toch niet helemaal verbloemen. Ante Jerkunica vertolkte een vermeldenswaardige Landgraaf Hermann en ook de belangrijkste hoofdrol werd overtuigend neergezet door Burkhard Fritz.
De decors van Rebecca Rings waren even sober als effectief. De zwierende boomtakken die langzaam naar de nok van toneel getakeld werden op de majestueuze ouverture van de eerste akte waren bijvoorbeeld een mooie vinding.
Tot slot mag natuurlijk het Symfonisch Orkest Opera Vlaanderen niet vergeten worden. Onder leiding van Dmitri Jurowski steeg er uit de orkestbak een genuanceerde interpretatie van Wagners partituur op, waarbij het monumentale geenszins geschuwd werd, daar gaf de daverende finale alle blijk van.

Concert: Stephen Hough – Schubert, Franck, Debussy & Liszt
Datum: 7 oktober 2015
Uitvoerende(n): Stephen Hough
Locatie: deSingel, Antwerpen
Waardering:

Foto: Sim Canetty-Clarke

Foto: Sim Canetty-Clarke

Met uitstekende pianisten als Paul Lewis, Imogen Cooper en Steven Osborne is Groot-Brittannië goed vertegenwoordigd in de huidige generatie toppianisten. De Brits-Australische Stephen Hough hoort daar zeker ook bij. Naast pianist is Hough ook componist, schrijver en docent aan verscheidene conservatoria. In Antwerpen bewees hij zijn reputatie als formidabel pianist met een even interessant als technisch veeleisend recital.

Na een wat zoekend Allegro giusto won Houghs spel alleen maar aan kracht naarmate Schuberts Pianosonate in a, D.784 vorderde. Vanaf het sluitstuk, Allegro vivace, parelden de hoogtepunten uit de piano. De uiterst beheerste Hough schuwde bij vlagen het dramatische gebaar niet, maar uiteindelijk stond alles in dienst van de muziek. Gedurende de avond betoonde de Brit zich een meester in het interpreteren van zeer doorwrochte muziek. César Francks Prélude, Choral et Fugue was daar een perfect toonbeeld van. Net als de sonate van Schubert is het muziek waar passages dodelijk saai kunnen zijn als ze gespeeld worden door mindere pianisten. Bij Stephen Hough leek bijna iedere frase vervuld van betekenis en werd Francks cyclische meesterstuk een prachtig kloppend geheel.

De Estampes van Claude Debussy kleurde Hough prachtig in, nergens vermengden de klankwolken zich tot een poel van bassen of geram in de bovenste registers. Het klaterende Jardins sous la pluie vormde een mooie inleiding tot twee luchtige walsen van Franz Liszt. Dat Hough zeker ook opgewassen was tegen de composities uit de pen van Liszt de Klavierleeuw, bleek wel uit zijn fenomenale vertolking van de twee afsluitende Transcendentale Études – nummer 10, het spektakelstuk, en de broeierige 11. Er is een goede reden waarom maar weinig pianisten het aandurven om het volledige boek met de études van Liszt op een concertprogramma te zetten; alleen de fysieke inspanning is al enorm. Stephen Hough zou misschien in staat zijn om een dergelijke opgave te volbrengen, zelfs in de moeilijkste passages van de stormachtige Étude No. 10 bleef zijn lezing helder en bijzonder spannend. Zijn grote klasse werd gelukkig beloond met een daverend applaus.

Concert: DoelenEnsemble – Het Nieuwe Geluid
Datum: 1 oktober 2015
Uitvoerende(n): DoelenEnsemble
Locatie: de Doelen, Rotterdam
Waardering:

refrain…Sofferte onde serene… is een van Luigi Nono’s intiemere werken; een mooie, atmosferische dialoog tussen piano en tape. Maarten van Veen opende hiermee een avond van vernieuwende geluiden uit de twintigste eeuw, om vervolgens versterkt te worden door Saskia Lankhoorn (celesta) en Niels Jenster (vibrafoon) voor Refrain van Karlheinz Stockhausen.

Meer nog dan de compositie van Nono heeft Refrain een bijna ritueel karakter. Het werk, met zijn willekeurige refreinen, kent een spanning die zich niet laat vangen op een opname. De concentratie en lichaamstaal van het uitvoerende ensemble vormen minstens zo’n belangrijk onderdeel van de uitvoering als de muziek. Stockhausens even spaarzame als gedecideerde muziek voor diverse percussieinstrumenten werd met fijnbesnaarde precisie uitgevoerd door het DoelenEnsemble.

Pulau Dewata van Claude Vivier vormde de ontdekking van de avond. Zeker na de ingetogen en soms cerebrale stukken die vooraf gingen was het werk bijna extravagant in lyriek en ritmische dynamiek. Het ensemble zette duidelijk met enige gretigheid hun tanden in de rijke klankwereld van Vivier.

Na de pauze was het de beurt aan nieuwe geluiden die toch al een flinke tijd geleden aan het papier zijn toevertrouwd. De Sechs Bagatellen, Op. 9 van Anton Webern vormden een korte opmaat naar de getergde muziek van Dmitri Shostakovich. Zijn pianokwintet was veruit de conventioneelste compositie op de rol en het meest direct in het tentoonspreiden van emotie. Met name in de eerste twee delen werden de strijkers nogal zwaar aangezet en had de piano daarom wat moeite met het articuleren van de melodielijn. Geen hartverscheurende interpretatie, maar zeker inde latere delen bleven de gemoederen niet onberoerd.