Busoni is een muzikale vernieuwer die desondanks een vrij obscure rol inneemt in de muziekgeschiedenis. Met de groeiende herwaardering van de pianotranscriptie, de Doelen wijdt er dit seizoen zelfs een concertserie aan, komt ook de naam Ferruccio Busoni vaker te sprake, aangezien hij een imposant aantal transcripties op zijn naam heeft staan. Maar als componist van originele werken is Busoni ook zeer de moeite waard, natuurlijk zijn megalomane eerbetoon aan Bach, de Fantasia contrappuntistica, maar ook de zes Elegiën waar hij zich van een moderner idioom bedient. Voor de liefhebbers van orkestraal werk is er onder meer een vioolconcert of de ooit populaire Turandot Suite en zelfs opera-afficiandos kunnen hun hart ophalen aan niet minder dan vier opera’s.

Busoni’s pianoconcert bevat voor elk wat wils, behalve voor de mensen die niets van allesverzwelgende overdaad moeten hebben. Het concert is een samenballing van stijlen, muzikale structuren en voornamelijk een viering van het Romantische muzikale ideaal – of scherpe satire, daar worden de experts het maar niet over eens. Zo staat het derde deel, Pezzo serioso, bol van de referenties aan een nocturne van Chopin en de orkestratie van het geheel stuitert stilistisch even makkelijk van Beethoven naar Wagner. Buitensporigheid en gretige overdrijving staan centraal in het concert dat, ondanks de meditatieve openingsmaten, het meest lijkt op een strijd tussen de piano en het orkest. Het is om die reden dat pianisten het concert vaak links laten liggen. Het werk van meer dan een uur is een fysieke uitputtingsslag, ondanks de vele rustmomenten waarop het orkest alleen te horen is.
Een andere reden waarom het werk niet vaak te horen is heeft te maken met de totale omvang van het orkest en de verrassing in het laatste deel, Cantico, waar een mannenkoor een loflied aan Allah aanheft, toongezet op een Duitse tekst van de Romantische Deense dichter Adam Oehlenschläger.1

Het werk mag dan weinig op concertprogramma’s staan, maar gelukkig is het wel door een aantal dappere pianisten opgenomen. Helaas niet door Busoni zelf, tijdens zijn twee opnamesessies van 1919 en 1929 in de studio’s van Columbia Records in Londen, al verzorgde hij wel de première van het concert in 1904. Recenter zijn er opnames gemaakt door bijvoorbeeld Garrick Ohlsson en de immer avontuurlijke Marc-André Hamelin en wijlen John Ogdon.

De verdiensten van Ferruccio Busoni worden maar al te makkelijk af gedaan als obligaat “virtuozenvuurwerk”. Maar net zoals bij Liszt, die men vaak van hetzelfde beschuldigt, gaat het Busoni om meer dan alleen halsbrekende capriolen. De componist zelf zag het werk bijvoorbeeld niet als een bizar pianoconcert, maar als een grootschalig symfonisch werk met piano obbligato,2 zijn Italiaanse Symfonie.

Marc-André Hamelin vat het mooi samen in een gesprek over Busoni’s concert met muziekcriticus Alex Ross:

However — and needless to say — even a complete mastery of the pianistic problems is meaningless if you remain unaware of the loftiness of Busoni’s aims. I’ve said in print recently that treating something like the Liszt Sonata as a purely virtuosic exercise — something that is all-too-often a reality these days — is a little bit like tearing a page off a Gutenberg bible and using it to wrap carrot peels.

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this
  1. Niet dat Busoni aanhanger was van het Islamitische geloof, of iets dergelijks, maar hij was ten tijde van het schrijven van het concert gefascineerd door de tekst van Oehlenschläger, Aladdin oder die Wunderlampe. Dramatisches Gedicht in zwei Spielen, en besloot daarom om de afsluitende, mystieke koorpassages erop te baseren.
  2. Wellicht ook een bewust ingezet stijlmiddel uit de tijd van de door hem veelvuldig geciteerde componisten.

Dat Franz Schubert in de twintigste eeuw zijn dagen waarschijnlijk had gesleten als componist van popliedjes is een veel gehoord cliché. De gigantische hoeveelheid liederen die Schubert in zijn korte leven schreef zijn het overtuigende bewijs dat de Weense componist een gave had voor het schrijven van pakkende melodieën. De liederen uit Scuberts bekende cycli Winterreise, Die Schöne Müllerin en Schwanengesang vormen daarop geenszins een uitzondering. Die Taubenpost dat Schwanengesang afsluit is een goed voorbeeld van de muzikale vermogens van Schubert.

Het lied maakt deel uit van de cyclus die vaak gezien wordt als de onevenwichtigste van de drie, simpelweg omdat de collectie niet door Schubert zelf is samengesteld maar door een gewiekste muziekuitgever en er dientengevolge toonzettingen van drie verschillende dichters in zijn opgenomen – te weten Heinrich Heine, Ludwig Rellstab en Johann Gabriel Seidl.

Traditioneel volgt Die Taubenpost op een krachtige toonzetting van Heine, Der Doppelgänger, een emotionele stomp in de maag, zelfs in de versie getranscribeerd voor piano solo door Franz Liszt. Wat dan volgt is bijna vier minuten lichtvoetigheid en elegantie, waar de zanger lijkt te blaken van optimisme en zelfvertrouwen. Het is een subtiel lied, waarbij de muziek en de tekst – over onbeantwoorde liefde en verlangen – een prachtig samenspel aangaan.

De onnavolgbare Dietrich Fischer-Dieskau is de uitgelezen persoon om het werk te vertolken:

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this

vox-balaenaeIn de jaren ’90 struikelde je zowat over de CDs met new age muziek waarbij men zijige synthesizerakkoorden meende te moeten combineren met het gezang van walvissen, ongetwijfeld heilzaam voor het in balans brengen van de menselijke energiebalans en andere vage nonsensconcepten.

Het zingen van de walvis werd voor het eerst vastgelegd in 1967 door onderzoekers Roger Payne en Scott McVay. Capitol Records bracht enkele jaren later een LP uit met daarop de opnames die Payne en McVay maakten die enige tijd populair was en de campagne tegen de internationale walvisvangst indertijd een enorme stimulans gaf. Ook componist George Crumb hoorde in die tijd de opnames van Payne en McVay wat hem inspireerde om Vox Balaenae te schrijven.

In de partituur heeft de componist aangegeven dat de spelers van het ensemble – fluit, cello en piano – allen gemaskerd moeten zijn, dit om de menselijkheid zo veel mogelijk te onderdrukken tijdens de opvoering van het stuk. Over het algemeen vervullen dergelijke capriolen mij met enige scepsis, de eens verfrissende baldadigheid van John Cage is door overenthousiaste navolgers verworden tot vermoeiende spielerei. Volgens Crumb staan in Vox Balaenae de onpersoonlijke natuurkrachten echter centraal, waarbij de menselijke factor zoveel mogelijk onzichtbaar is, in dat licht hebben zijn “Cageiaanse” aanwijzigingen voor het ensemble misschien toch waardevol. Een opvoering van het werk waarbij de gemaskerde spelers slechts belicht worden door blauwe schijnwerpers moet hoe dan ook een bijzondere ervaring zijn.

Het stuk bestaat uit drie delen; een proloog (Vocalise), variaties en een epiloog (Sea Nocturne). De variaties zijn genoemd naar de verschillende geologische era’s en kennen een groeiende intensiteit en onstuimigheid, eindigend in de agressie van het Cenozoïcum (Tijdperk der Zoogdieren). De serene Sea Nocturne is een prachtige afsluiting waarbij het neo-impressionistische karakter van het gehele werk het duidelijkst naar voren komt. Crumb gebruikt door het hele stuk onconventionele instrumentale technieken om zo dieren- of diepzeegeluiden te imiteren. Zo zingt de fluitist in zijn instrument, een muzikale symbolisatie van de bultrug, en speelt de cellist vele glissandi om het geluid van meeuwen op te roepen.

Vox Balaenae laat zich misschien wel het beste beschrijven als een modernistische voortzetting van Claude Debussy’s La mer. Waar Debussy de uiterlijke natuurkrachten in drie symfonische schetsen toonzet, duikt George Crumb onder de zeespiegel om de al even wilde onderwaterwereld te treffen in zijn eigen muzikale idioom.

Het stuk begint rond 3:45, na de Duitse introductie.

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this

De ware twintigste eeuwse erfgenaam van Franz Liszt als het gaat om groots Paaps Pianowerk is zonder twijfel Olivier Messiaen, deze devote katholiek componeerde meerdere religieuze werken voor piano waarvan “Vingt regards sur l’enfant-Jésus” zonder twijfel een van de hoogtepunten is.

“Vingt regards”, een twintigdelige beschouwing van het Jezuskind, bevat alle karakteristieke elementen die het oeuvre van Messiaen over het algemeen rijk is. Symbolische motieven duiken door de hele cyclus in verscheidene gedaantes op en bieden houvast in het bijna twee uur durende werk. Ook transcripties van vogelzang – een andere, levenslange fascinatie van de componist – zijn sterk aanwezig. Oorspronkelijk zou Messiaen het werk componeren als muzikale begeleiding bij een lezing van gedichten (“Les Douze Regards”) van Maurice Toesca op de Franse radio. Gezien het kolossale eindresultaat heeft de bewust radio uitzending nooit plaats gevonden.

De cyclus is een zeer persoonlijk werk waarvan de partituur zeer gedetailleerd is in de notatie; het biedt de pianist bijna geen vrijheid, tenzij deze moedwillig wil afwijken van wat Messiaen op papier heeft gezet. Uitvoeringen van alle twintig delen zijn schaars, waarschijnlijk door de lengte (een lot dat de meeste muziek van Kaikhosru Shapurji ook beschoren is) en de technische complexiteit van het werk. Alleen al de ritmische verschuivingen die zowel de linker- als de rechterhand in veel passages moeten doormaken zijn genoeg om enig angstzweet op het voorhoofd van een pianist te doen verschijnen. Uiteindelijk zeggen de technische obstakels en de lengte van het werk namelijk niet zoveel over de emotionele kracht van de compositie. Die is namelijk aanzienlijk. Een aantal pianisten hebben zich gewaagd aan integrale interpretaties, waaronder bekende namen als Steven Osborne en Pierre-Laurent Aimard (overigens een pupil van Messiaens vrouw, pianiste Yvonne Loriod).

Aimard, met zijn precisie en heldere spel, is de uitgelezen pianist voor een werk als “Vingt Regards”.1 De Fransman ontlokt mysterie aan het instrument, maar laat de piano even hard bulderen als Messiaen er om vraagt.

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this
  1. Beide kwaliteiten zijn overigens ook een pluspunt in zijn interpretatie van Bachs “Die Kunst der Fuge”, maar blijken een beperking in bijvoorbeeld zijn bijna lethargische uitvoering van de Sonate in B mineur van Franz Liszt.

deathspeaksDavid Lang zocht voor zijn recentste liederencyclus, “Death Speaks”, in het vocale werk van Franz Schubert naar tekstpassages waarin de Dood direct het woord voert. Deze fragmenten zette hij vervolgens op muziek. In de handen van menig andere componist zouden de Romantische tekstflarden al snel sentimenteel of zelfs pompeus klinken. Door de sobere toonzetting en minimale instrumentatie weet Lang frases als “after the leaves fall, spring returns; after love is parted, it returns” of “everything awaits the way it changes” te verheffen tot een serie krachtige monologen die qua toon variëren van ijzingwekkend tot wanhopig smachtend.

Eenvoud voert de boventoon, zo zeer zelfs dat een eerder werk van Lang als “The Little Match Girl Passion” (geschreven voor gemengd koor en simpele percussie) in vergelijking extreem rijk lijkt waar het muzikale ornamentatie betreft. De vocalen in ieder deel van “Death Speaks” nodigen de vertolker dan ook uit om ieder woord te vervullen van betekenis en emotie. Zangeres Shara Worden, van de formatie “My Brightest Diamond”, slaagt erin om dit de doen op de opname die recent van “Death Speaks” is uitgebracht. Het werk is voor haar en begeleiders Nico Muhly, Owen Pallett en Bryce Dessner duidelijk op het lijf geschreven.

“You will return”, het stuk dat de cyclus opent, is meteen ook het hoogtepunt. De hemelse hoogten die Worden met haar stem bereikt als ze de woorden “I am your pale companion” zingt laten de rillingen over je rug lopen.

Deel:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on RedditDigg this